Je sociale status staat in je genen geschreven

Terwijl de Franse econoom Thomas Piketty furore maakte met zijn dikke pil over ongelijkheid, verscheen er een ander boek met nog schokkendere conclusies. Maar dit werk van de econoom Gregory Clark kreeg weinig aandacht, misschien wel omdat zijn bevindingen nauwelijks te verteren zijn. Voor links én rechts.

Door Rutger Bregman, 19 september 2014.

Zie ook Kees Vuyk’s Oude en nieuwe ongelijkheid en Jan Latten’s Liefde leidt tot segregatie.

Een Duitse familie rond 1919. Foto: Hollandse Hoogte

Hoe groot is de kans om het te maken of te verprutsen? Het antwoord luidt: groot. Uit heel wat onderzoek blijkt dat de welvaart van een familie al in een paar generaties kan zijn verdampt, evenals een boerenfamilie al na een paar decennia een familie van doctorandussen kan zijn.

Of je nu arm of rijk, wit of zwart, man of vrouw bent – iedereen heeft een kans om hogerop te komen. In de vrije, open samenleving zijn er voortdurend mensen die de ladder van het succes beklimmen – of naar beneden tuimelen. Dubbeltjes worden kwartjes en kwartjes worden dubbeltjes. Om de zoveel tijd ververst de samenleving zich, zoals de meeste cellen van een lichaam na een jaar of tien vervangen zijn.

Vroeger, in de middeleeuwen misschien, stond je levenslot nog in de sterren geschreven. Maar anno 2014 kunnen we ons lot in eigen handen nemen.

Nomen est omen

En dan nu het slechte nieuws.

Het wereldbeeld dat oprijst uit de voorgaande drie alinea’s kreeg een paar maanden geleden een mokerslag te verduren. In februari van dit jaar verscheen er een boek dat, in alle ophef rondom een zekere Franse econoom, maar weinig aandacht kreeg. Toch stelt het onze oude ideeën meer op de proef dan de dikke pil van Thomas Piketty.

The Son Also Rises is de titel. De boodschap kan in vijf woorden worden samengevat: sociale mobiliteit is een illusie. Dubbeltjes worden vrijwel nooit kwartjes. De brenger van het slechte nieuws heet Gregory Clark, een Amerikaanse econoom die werkt aan de universiteit van Californië (Davis). In de Nederlandse media kreeg zijn boek geen aandacht, maar dat neemt niet weg dat zijn bevindingen schokkender zijn dan die van Piketty. Waar de Franse econoom bevestigde wat velen stiekem al geloofden – de ongelijkheid loopt uit de hand – sloopt Clark het ene na het andere heilige huisje. Van links én rechts.

Net als Piketty graaft Clark diep in het verleden, op zoek naar de wetten die ons welvaren bepalen. En net als Piketty boort Clark een nieuwe bron aan. Waar de Fransman zijn conclusies trekt op basis van belastingaangiftes, kijkt de Amerikaan naar achternamen. Al eeuwen hebben vaders immers de gewoonte om hun familienaam door te geven aan hun zonen. Het stelde Clark en zijn collega’s in staat om het lot van talloze families met een zeldzame achternaam door de eeuwen heen te volgen, en dat in tal van archieven – van het Zweedse advocatenregister tot het Engelse Domesday Book (uit 1086).

Alle retoriek over ‘verheffing’ en ‘emancipatie’ ten spijt: onze sociale status is net zo erfelijk als onze lichaamslengte

Zo stuitte Clark op het ene na het andere bizarre feit. Om maar iets te noemen: wie een achternaam deelt met een van de Normandiërs die Engeland veroverden in de elfde eeuw (denk aan: Sinclair, Percy, Beauchamp), heeft nu nog steeds – bijna een millennium later – 25 procent meer kans om aan de universiteit van Cambridge of Oxford te studeren. Mocht je afstammen van de Zweedse adel, dan heb je nog altijd zes keer zoveel kans om in het Zweedse register van advocaten te staan. En behoorden je voorouders tot de elite van de Chinese Qing-dynastie dan heb je – ondanks de massa-executies van duizenden ‘klassenvijanden’ onder Mao – nog steeds een veel grotere kans om topman, professor of bestuurder in het moderne China te zijn.

Dit is nogal wat.

Ondanks de verlichting, de industriële revolutie, de komst van het kapitalisme, het massaonderwijs, de verzorgingsstaat, het algemeen kiesrecht, de emancipatie van vrouwen en zelfs de communistische revolutie, is de sociale mobiliteit in alle onderzochte landen (Engeland, VS, India, Japan, Korea, China, Taiwan, Chili en Zweden) nog altijd even klein als in middeleeuwen. Alle retoriek over ‘verheffing’ en ‘emancipatie’ ten spijt: onze sociale status is net zo erfelijk als onze lichaamslengte. Al eeuwen. Overal. 

Dus zit het leven tegen? Geef dan vooral je over-over-over-overgrootouders de schuld. Maar liefst 50 tot 60 procent van je maatschappelijke positie kan worden voorspeld op basis van hun sociale status. ‘Ik ben zelf 1 meter 70,’ merkt Dat zei hij in dit interview.Clark op. ‘Niemand zal geloven dat ik een kans maak in de nationale basketbalcompetitie. Maar om de een of andere reden denken we dat voor de rest van het leven alles mogelijk zou moeten zijn.’

Een Engelse familie tijdens een bruiloft rond 1905. Foto: Getty Images
Een Engelse familie tijdens een bruiloft rond 1905. Foto: Getty Images

Kies je voorouders zorgvuldig

Hoe kan het dat de mythe van dubbeltjes die kwartjes worden nu pas wordt doorgeprikt?

Clark denkt dat het conventionele onderzoek naar sociale mobiliteit misleidend is. Lange tijd werd het gemeten door naar één aspect van iemands maatschappelijke positie te kijken. Denk aan: inkomen, vermogen, beroep, huisvesting of onderwijsniveau. En dan blijkt: er zit behoorlijk wat beweging in.

Maar door alleen te kijken naar bijvoorbeeld het inkomen, worden toevallige uitschieters verkeerd geïnterpreteerd. ‘Neem Bill Gates,’ vertelt Clark. ‘Als je zijn status zou afzetten tegen het onderwijsniveau van zijn vader, dan zou je denken dat hij is afgezakt: hij heeft zijn diploma nooit behaald.’ Andersom kan de zoon van een succesvol zakenman aan een studie culturele antropologie beginnen. Dan zal hij vast niet zoveel gaan verdienen als zijn vader, maar dat wil niet zeggen dat hij tot een lagere klasse afzakt. ‘Conventionele studies meten één aspect van status,’ schrijft Clark, ‘maar er is iets diepers wat veel langzamer verandert.’

Hoe langzaam? Voor een familie aan de top duurt het tien tot vijftien generaties (300 tot 450 jaar) voordat hun sociale status weer gemiddeld is. Statistici noemen dit ook wel ‘regressie naar het gemiddelde.’ Op de korte termijn zijn er natuurlijk altijd uitschieters – iemand wint de loterij, een ander gaat failliet – maar op de lange termijn is er veel meer stabiliteit. ‘Kies je voorouders zorgvuldig,’ merkt Dat schreef de econome (Diane Coyle) hier.een collega van Clark dan ook droogjes op.

Uit het onderzoek naar achternamen blijkt dat er een ‘correlatie’ tussen de generaties is van ongeveer 0,8.  Bij een correlatie van 1 voorspelt de familieachtergrond alles, bij een correlatie van 0 zegt familie niets.
Uit het onderzoek naar achternamen blijkt dat er een ‘correlatie’ tussen de generaties is van ongeveer 0,8. Bij een correlatie van 1 voorspelt de familieachtergrond alles, bij een correlatie van 0 zegt familie niets.

De jackpot in de grote genetische loterij

En dan heb ik de olifant in de kamer nog niet eens benoemd. De grote vraag is immers: wat is de oorzaak van de lage sociale mobiliteit door de eeuwen heen? Waarom weet de elite zich zo goed te handhaven, of het nu in een feodaal stelsel of in een verzorgingsstaat is?

Is het hun cultuur?

Nee, zegt Clark. Neem de Verenigde Staten: er zijn heel wat culturele groepen met een hoge status, maar die lopen qua afkomst en tradities sterk uiteen. ‘Er zijn representanten van bijna iedere grote religieuze of etnische groep in de wereld,’ schrijft Clark schreef dat in The New York Times.Clark, ‘behalve van de groep die tot het argument leidde dat cultuur de basis van sociaal succes vormt: witte Europese protestanten.’

‘Je kunt de jackpot winnen in het grote genetische casino, of failliet gaan’

Is het dan hun geld, of zijn het de connecties van de elite?

Ook al niet, denkt Clark. Op korte termijn kan een investering in iemands opleiding best helpen. En natuurlijk is het handig als je vader een groot netwerk heeft. Maar het punt is: samenlevingen die het meest investeren in de burgers die onderaan de ladder staan, kennen geen hogere sociale mobiliteit. Zweden is veel gelijker dan de VS, maar dat helpt dubbeltjes nog geen kwartjes worden.

Maar wat is het dan?

Clark windt er geen doekjes om. ‘Je kunt de jackpot winnen in het grote genetische casino, of failliet gaan.’ Het zijn niet zozeer de wetten van de politiek of de wetten van de economie die je status bepalen; het zijn de wetten van de natuur. Het grootste geschenk dat je aan je kinderen kunt geven is niet je geld, je netwerk of je geloof. Het grootste geschenk, dat is je genenpakket. Natuurlijk moeten mensen altijd zelf hun best doen om iets van hun leven te maken, maar volgens Clark is het talent om te excelleren door en door erfelijk.

Verontrustende conclusies

Hoe zeker is dit allemaal?

De Amerikaanse econoom geeft toe dat hij niet kan bewijzen dat genen de belangrijkste rol spelen. En je zou ook kunnen betogen dat de verzorgingsstaat gewoon nog niet genoeg doet, of nog niet lang genoeg bestaat om de schaduw van het verleden weg te nemen. Bovendien is er aanzienlijk bewijs dat racisme en armoede Zie bijvoorbeeld dit stuk dat ik eerder over armoede schreef.mensen vasthouden aan de onderkant. Hoe het ook zij: de bevindingen van Clark zullen wetenschappers nog jaren bezighouden.  ‘Laten we hopen dat hij ernaast zit,’ schrijft de vooraanstaande econoom Benjamin Friedman, die niettemin onder de indruk is van Clarks bewijsmateriaal.

Clark geeft dan ook een aantal sterke argumenten dat suggereert dat genen sterker zijn dan opvoeding, inkomen of cultuur. Neem adoptiekinderen: hun status wordt beter voorspeld door de status van hun biologische ouders dan door die van hun adoptieouders.  Het maakt ook niet uit hoe groot een gezin is voor de mate waarin de status wordt overgedragen (iets wat je niet zou verwachten als opvoeding of geld de belangrijkste rol spelen, dan zouden ouders hun aandacht en middelen immers over hun kinderen moeten verdelen.) Bovendien trouwen de culturele groepen aan de top – van de Brahmanen in India tot de Asjkenazische Joden in de VS – vooral binnen de eigen groep. Ze houden hun genen voor zichzelf.

De top van de piramide

Maar als dit klopt, en het vooral de genen zijn die het succes van een familie bepalen, hoe kan het dan dat een culturele, religieuze of etnische groep soms eeuwenlang tot de elite blijft behoren?

Clark komt hier met een fascinerende verklaring. Neem de (christelijke) Kopten in het islamitische Egypte. Al eeuwen staan de ze aan de top van de piramide: de Kopten zijn gemiddeld rijker en hoger opgeleid dan hun landgenoten. Wat wil het geval: toen Egypte 1375 jaar geleden werd veroverd door de Arabieren hoefden de Kopten geen moslim te worden, mits ze een fikse belasting zouden betalen. Het gevolg was dat vrijwel alle arme christenen zich bekeerden tot de islam, terwijl de rijkere Kopten christelijk bleven. Zo ontstond er een religieuze bovenklasse.

Met de Joden is hetzelfde gebeurd, denkt Clark. Juist omdat ze eeuwenlang zijn vervolgd, zijn de Joden met een lage status het vaakst tot een andere religie bekeerd. Zij konden hun geld of connecties immers niet inzetten om hun belagers van zich af te houden. Zodoende wisten de rijkste, slimste en sterkste Joden hun geloof te behouden, met als gevolg dat de Joden in veel landen nu nog altijd zwaar oververtegenwoordigd zijn onder elites.

Met racisme heeft dit allemaal niets te maken. Er is geen sprake van een superieur Joods ‘ras’ of een verheven Joodse ‘cultuur.’ Als je kijkt naar de etnische groepen die in de VS zijn oververtegenwoordigd in bijvoorbeeld het register van artsen, dan zijn dat vooral niet-blanken: zwarte Haïtianen, Egyptische Kopten, Iraanse moslims, enzovoorts. ‘Iedere groep kan, onder de juiste omstandigheden, tot de elite of de onderklasse gaan behoren in een samenleving,’ aldus Dat zei hij in dit interview.Clark.

Een Italiaans gezin rond 1938. Foto: Hollandse Hoogte
Een Italiaans gezin rond 1938. Foto: Hollandse Hoogte

Heilige huisjes

Maar dat maakt zijn onderzoek niet minder verontrustend.

Of je nu SP of VVD stemt, of je nu gelooft in een sterke overheid of liever de nadruk legt op eigen verantwoordelijkheid: Clarks conclusies zijn moeilijk te verkroppen. Links gelooft graag dat er weinig sociale mobiliteit is doordat de samenleving onrechtvaardig is ingericht. Meer overheidsingrijpen zou dat moeten verhelpen. Rechts maakt zich weinig zorgen over ongelijkheid, omdat het gelooft dat een zo vrij mogelijke markt vanzelf voor genoeg sociale mobiliteit zal zorgen. Hoe minder de overheid in de weg zit, hoe groter de kans om de top te bereiken.

De grootste fout die armen hebben gemaakt, is dat ze in het verkeerde gezin zijn geboren

Clark maakt gehakt van beide standpunten. Een dubbeltje heeft weinig kans om een kwartje te worden. En overheidsingrijpen kan daar weinig aan veranderen. Sterker nog, wie pleit voor een wereld waarin mensen vooral op basis van hun talenten worden beloond, pleit voor een door en door ongelijke samenleving. In verkeerde handen zouden Clarks bevindingen zelfs tot nog ranzigere ideeën kunnen leiden. Voor je het weet pleit iemand voor verplichte genetische selectie, in plaats van verplichte schoolgang.

Gelukkig komt Clark zelf tot heel andere conclusies. Hij begon zijn carrière als een fervent aanhanger van de vrije markt, inmiddels is hij pleitbezorger van het Zweedse model. Dat wil zeggen: van een grote verzorgingsstaat. Want als sociale status vooral een kwestie van genetisch geluk is, dan zouden we de nadelen van een lage status zo veel mogelijk moeten beperken. Zweden mag dan geen hogere sociale mobiliteit hebben dan de Verenigde Staten; het is toch een stuk prettiger land om in te wonen. Zeker voor mensen aan de onderkant.

Armoede is geen keuze, schrijft Clark, laat staan een kwestie van eigen verantwoordelijkheid. De grootste fout die armen hebben gemaakt, is dat ze in het verkeerde gezin zijn geboren. ‘Er is absoluut geen reden om de inkomensverdeling die de markt uitspuwt te accepteren. We kunnen die verdeling zelf bepalen.’Zie dit interview met Clark.

Daar komt nog iets anders bij. Als genen ons succes bepalen, dan is er ook niet zoveel ongelijkheid nodig om mensen de juiste ‘prikkels’ te geven om de top te bereiken. Ouders kunnen dan ook ophouden Mozart te draaien in de babykamer en hoeven niet meer krom te liggen om hun kinderen naar de aller duurste privéscholen te sturen. Als het om het succes van je nageslacht gaat is er uiteindelijk maar één echt belangrijke keuze: je partner.

Hoe dubbeltjes alsnog kwartjes worden

In de zomer van 2013 bracht Clark een bezoek Dat vertelde hij in dit interview.aan IJsland. In een klein dorpje aan de kust was hij getuige van het feest waarmee het begin van het visseizoen werd gevierd. Zoals ieder jaar werden er vier zware stenen van verschillende grootte naast elkaar gelegd. Wie in het IJsland van vóór de industriële revolutie de grootste steen kon optillen, kreeg het hoogste loon uitbetaald. ‘We zouden denken dat een goede samenleving niet eindeloos de persoon bestraft die alleen de kleinste steen kan oppakken,’ zegt Clark. ‘Of die, zoals in mijn geval, zelfs de kleinste steen niet kan optillen!’

En inderdaad: IJsland is een andere weg ingeslagen. Inmiddels is het een van de gelijkste landen ter wereld. En ook een van de rijkste, want gelukkig is er ook nog zoiets als collectieve vooruitgang. Verheffing mag op individueel niveau dan wel een illusie zijn; als samenleving zijn we rijker, slimmer en gezonder dan ooit.  Zo worden dubbeltjes alsnog kwartjes.

Bron: de Correspondent.

_____________________________________________________________________________________________

Scherp.

Scherp. slim en uit het leven gegrepen, Kees Vuyk’s ‘Oude en nieuwe ongelijkheid’. Zo gewoon als het nog in de jaren zeventig was dat een dokter trouwde met een verpleegster, zo bijzonder is dat nu. Het naoorlogse onderwijs heeft ervoor gezorgd dat een derde van de bevolking verhuisde van de onderkant van de samenleving naar de gegoede middenklasse. Wat er vervolgens gebeurde, sinds de jaren zeventig, was dat die hoger opgeleiden steeds meer met elkaar zijn gaan trouwen. Aan de onderkant van de samenleving worden steeds minder kinderen geboren met een meer dan gemiddelde intelligentie. Wie dat wel heeft ‘promoveert’ alsnog via het onderwijs omhoog, ook in de partnerkeuze. De kloof wordt breder en breder, en hopelozer, maar we zitten er allemaal middenin zonder een Münchhausen in ons midden die helpt ons hieraan te ontworstelen.

Hoe de gewone man de gewone man is gebleven

Door Carel Peeters, 14 november 2017.

Sociale mobiliteit heeft ervoor gezorgd dat uit de lagere klasse de intelligente kinderen verdwenen. Nu zitten we met een akelige kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, volgens filosoof Kees Vuyk.

Wanneer Jos Palm in zijn geschiedenis van De gewone man is aangekomen bij de tweede helft van de twintigste eeuw wordt zijn stijl nog bloemrijker en energieker. Hij gaat gelijk op met de transformatie die de gewone man na de oorlog in korte tijd ondergaat: van sappelaar in corduroy-broek tot de man in een confectiepak. Het ‘eeuwenlange vernachelde leven’ van de ‘brood-, pap- en spruitjesmensen’ werd eindelijk een beetje op waarde geschat. De gewone man werd in de jaren van wederopbouw een ‘gezeten armoedzaaier’ die zich ‘een leuk mantelpakje’ voor zijn vrouw kon permitteren.

Dat op waarde schatten van de gewone man is aan verandering onderhevig, zo blijkt uit Oude en nieuwe ongelijkheid van Kees Vuyk, zijn boek ‘Over het failliet van het verheffingsideaal.’ Het vooral sociaal-democratische streven naar waardering en verheffing van de gewone man werd in de jaren vijftig en zestig uitgedrukt in respect voor arbeid en vakmanschap, in beter onderwijs, gezondheidszorg en het ontstaan van de AOW. Een politiek van gelijke kansen zorgde ervoor dat de kinderen van de gewone man konden doorleren. Dit mondde uit in wat Vuyk ‘de glorieuze jaren zeventig tot negentig’ noemt, de jaren van de meritocratie waarin alles draaide om waardering voor de verdiensten waarmee men zich van zijn talenten wist te bedienen. Wie zijn best deed werd daarvoor terecht beloond en steeg op de sociale ladder. De meritocratie bracht de sociale mobiliteit op gang.

Door te bevorderen dat kinderen uit de lagere klasse van de samenleving naar de middelbare school gingen en daarna naar de universiteit of hoge school, belandden die kinderen na het afstuderen vanzelf in een andere klasse van de samenleving. Hun ouders bleven waar ze waren. 

De onderkant van de samenleving werd hiermee van zijn intelligente kinderen ontdaan: er had een brain-drain plaats. De onderkant bleef zonder intelligentie achter. De prestatiemaatschappij waarin dit plaatshad maakte het bovendien voor de hand liggend dat er binnen de eigen kring getrouwd ging worden. Bij het ‘achterblijvende deel’ van de samenleving leidde de exodus van het intellectueel getalenteerde deel tot, wat Vuyk met harde hand noemt, ‘verplatting’. Aan de onderkant werden steeds minder kinderen geboren met een meer dan gemiddelde intelligentie. Wat betreft intelligentie werd die groep steeds homogener. De onderkant van de samenleving werd een monocultuur, terwijl de rest van de maatschappij steeds multicultureler aan het worden was. Er is een kloof ontstaan tussen hoog- en laagopgeleiden. Vuyk heeft het zelfs over een ‘segregatie’, een nieuwe apartheid.

Daarmee is de dynamiek uit de onderkant en de bovenkant van de samenleving verdwenen: ze zijn allebei bijna ongemerkt in zichzelf gekeerde gesloten gemeenschappen geworden. Er worden ‘dates’ voor hoger opgeleiden georganiseerd. Er zijn speciale verzekeringen voor hoger opgeleiden. Ook aan de bovenkant is de verplatting aan de gang: ‘Ook hier is men tegenwoordig heel erg onder elkaar.’ ‘Als gevolg daarvan’, schrijft Vuyk, ‘ is de bron van vitaliteit opgedroogd die onze samenleving de afgelopen halve eeuw zo creatief en dynamisch maakte. Zonder vermenging van culturen en de bijbehorende wrijvingen verdwijnt de vitaliteit en bloedt de samenleving langzaam dood.’ Verplatting is de keerzijde van verheffing.

In de ontstane kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, de onderkant en de bovenkant, heeft zich het populisme kunnen nestelen. In de door meritocratie getekende samenleving heeft zich aan de onderkant een groep gevormd die zich ontheemd voelt, schrijft Vuyk. ‘Zij vinden het moeilijk de complexe dynamiek van deze samenleving te volgen en zij missen mensen om zich heen die hen daarbij kunnen helpen. Zij zoeken steun bij leiders, die althans de schijn bieden dat zij hun zorgen begrijpen.’ Veel mensen aan de onderkant voelen zich aangetrokken tot leiders die grossieren in botte uitspraken en radicale oplossingen. De kloof zorgt ook voor een verkramping: afkeer van de kosmopolitische elite, terugtrekken op ‘het eigene’, tot en met ‘eigen volk eerst.’

Veel mensen aan de onderkant voelen zich aangetrokken tot leiders die grossieren in botte uitspraken en radicale oplossingen.

Kennis van de geschiedenis van de gewone man brengt Jos Palm tot de overtuiging dat de verloren eer van de gewone man hersteld moet worden. De prestatiemaatschappij heeft de verzorgingsstaat verdrongen die speciaal oog had voor de problemen van de gewone man. Het neoliberalisme heeft voor een onverantwoorde flexibilisering van de arbeid gezorgd en daarmee voor bestaansonzekerheid. De gewone man kan daaraan geen eer en zelfvertrouwen ontlenen. Een bijeffect van de meritocratie is dat zij gevoelens van minderwaardigheid en schuld bevordert: het idee het in een samenleving met zoveel kansen niet gemaakt te hebben.

Kees Vuyk denkt dat we afstevenen op ‘de terugkeer van een samenleving met aristocratische trekken.’ Zijn vergaande en doortastende analyse van de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden beantwoordt aan de grotere kloof die eerder door Thomas Piketty werd gesignaleerd tussen de superrijken en de doorsnee burger. Dat leidt bij allebei tot de conclusie dat de ‘sociale cohesie’, die voorkomt dat de samenleving uiteenvalt in elkaar wantrouwende groepen (als het niet erger is), langzaam een utopische gedachte wordt.

Oude en nieuwe ongelijkheid. Over het failliet van het verheffingsideaal door Kees Vuyk is uitgegeven door Klement.

De gewone man. Een kleine mensheidsgeschiedenis door Jos Palm is uitgegeven door Atlas Contact.

_____________________________________________________________________________________________

Liefde leidt tot segregatie

Powerkoppels

De economische onzekerheid stuurt onze partnerkeuze. Het gevolg is een groeiende sociale tweedeling tussen stad en regio.

Door Mirjam Remie, 5 november 2017.

Foto iStock 

Er zijn meer ‘powerkoppels’ in Nederland. En ze wonen vooral in de stad. Eenderde van de samenwonende stellen tussen de 25 en 45 jaar was vorig jaar hoogopgeleid, blijkt uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Tien jaar geleden was dat nog 19 procent. Tegelijkertijd daalt het percentage stellen met allebei een middelbare of lagere opleiding.

In Utrecht wonen de meeste hoogopgeleide paren: 63 procent van de samenwoners tussen de 25 en 45 jaar. Daarna volgen Groningen (56 procent) en Amsterdam (54 procent).

Al die Randstedelijke ‘powerkoppels’ staan in verband met de groeiende bestaansonzekerheid in de samenleving, zegt Jan Latten, hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam en hoofddemograaf bij het CBS. Dat betoogt hij in een artikel in het wetenschappelijk tijdschrift Rooilijn, dat binnenkort verschijnt. Steeds meer mensen hebben een flexibel contract, vooral jonge mensen lukt het moeilijk aan een vaste baan te komen. Het ideaal van huisje-boompje-beestje is voor hen niet vanzelfsprekend meer.

Hoe kun je er dan toch voor zorgen dat je het redt in de maatschappij? „Door partnerkeuze”, zegt Latten. „Door met iemand te trouwen die je economische en sociale kansen in de samenleving vergroot.”

Liefde is geen toeval

Dat toeval niet zo’n grote rol speelt in de liefde, verkondigt Latten, gespecialiseerd in relatievorming, al langer. Liefde vinden we binnen een kleine groep gelijkgestemden; mensen die ons economisch vooruithelpen – of in elk geval niet achteruit. Door de flexibilisering van de arbeidsmarkt neemt die economische component van relaties toe, ziet hij.

In dit spel van relatievorming zijn hoogopgeleiden de grote winnaars. Zij trouwen elkaar, en zelden nog ‘omlaag’, zoals dat vroeger gebeurde. Toen konden hoogopgeleide mannelijke kostwinners hun economische positie niet verbeteren. Ze hanteerden sociale criteria: of een vrouw mooi was, gezond of sociaal intelligent. Nu zijn die voordelen gelijkmatiger over mannen en vrouwen verdeeld. Een hoogopgeleide man of vrouw kan die toch al gunstige kansen verdubbelen: op een hoog inkomen, een goede gezondheid, een mooi huis in een fijne buurt. „Als je zelf alle talenten hebt en je zoekt een partner die ze ook heeft, creëer je de optimale kansen voor succesvolle kinderen”, zegt Latten.

Datingapps

Hij wijst op de populariteit van datingapps, waar je met slechts één vinkje de laagopgeleiden uit de mogelijkheden kunt bannen. Van de dertigers die tussen 2008 en 2013 gingen samenwonen, heeft volgens het CBS bijna een op de zeven de partner via internet leren kennen. Veel datingsites richten zich ook specifiek op hoogopgeleiden. „Het romantische ideaal is: iedereen is gelijkwaardig en liefde gebeurt at random. Maar we zoeken gelijksoortigheid – al willen we dat niet toegeven.”

Dat de economische factor zwaar weegt in de liefde ziet hij „heel duidelijk” bij hoogopgeleide twintigers. „Die hebben vaak samenwoonrelaties, zonder kinderen, huwelijk of een koophuis. Pas rond hun dertigste binden ze zich definitief. Omdat ze dan zeker weten dat de ander gepresteerd heeft wat hij of zij heeft beloofd. Is hij echt directeur geworden, of zit hij met een onafgemaakte studie en een grote studieschuld?”

Dat soort overwegingen spelen zich natuurlijk niet in het bewuste af, zegt Latten. „Als je in een onderzoek zou vragen waarom zo’n stel uit elkaar is gegaan, dan zou je als antwoord krijgen dat de toekomstwensen niet meer parallel liepen. Of dat ze uit elkaar zijn gegroeid. Maar ik kijk naar het patroon. En dan zie ik dat hoogopgeleide twintigers in een soort wachtstand staan; ze zitten in een periode van tijdelijke stabiliteit.”

Terwijl hoogopgeleiden hun kansen in de samenleving verdubbelen, gaan laagopgeleiden er individueel juist op achteruit. Zij kunnen zich in economisch opzicht niet aan hun partner optrekken. Ze liggen überhaupt slechter in de relatiemarkt, vooral laagopgeleide mannen met een flexibel contract of zonder baan. Als het inkomen van de man slinkt, neemt de kans op echtscheiding toe. Laagopgeleide fulltime werkende vrouwen hebben minder kans om zwanger te worden.

Een stedelijke omgeving is de ideale habitat voor een modern kenniskoppel

In een samenleving waarin opleidingsniveau bepalender wordt voor je kansen, zullen laagopgeleiden vaker alleen blijven, denkt Latten. „Zelfredzame laagopgeleide vrouwen zullen kritischer worden in hun partnerkeuze. Als een vrouw met een bijstandsuitkering gaat samenwonen met een laagopgeleide man met een flexibel contract, raakt zij die uitkering kwijt. Dan gaat ze er financieel niet op vooruit en het is maar de vraag of ze er maatschappelijk op vooruitgaat. De overheid vervangt in zekere zin de rol van de partner.”

Vrouwen die naar de Randstad verhuizen, ook laagopgeleide vrouwen, verdienen meer dan vrouwen die op het platteland blijven. Ze hebben ook meer kans om een hoogopgeleide man te vinden. Ook urbanisatie is dus een manier om bestaansonzekerheid te compenseren, denkt Latten. „Een stedelijke omgeving is de ideale habitat voor een modern kenniskoppel. Beide partners kunnen zich snel bewegen tussen hun banen, er zijn voorzieningen en er is een netwerk. De stad maakt de toch al voordelige positie van hoogopgeleiden sterker.”

Groeiende contrasten

Het gevolg is dat de contrasten in de samenleving groeien: tussen hoog- en laagopgeleid, tussen Randstad en periferie. Latten: „Alle wissels staan die kant op. Bestaans- en inkomensonzekerheid worden structureel, we krijgen met robotisering te maken. Ik zie niet hoe dat tij gekeerd wordt.” Hij schetst een toekomstbeeld van een Randstedelijk gebied waar sociaal succesvolle mensen wonen, met veel vertrouwen in elkaar en in de politiek. En een periferie met achterblijvers: eenling, laagopgeleid, kwetsbaar. Zij kunnen hun weg in de samenleving maar moeilijk vinden.

Kan de overheid bijsturen? Latten kent kleine voorbeelden: corporaties die kwetsbare mensen niet alleen huisvesten maar ook sociale zorg verlenen, ingrepen op de woningmarkt om een mix van bewoners te creëren. Maar: als mensen in een buurt wonen waar het gemiddelde inkomen hoger of lager ligt dan dat van hen, verhuizen ze naar een meer gelijksoortige buurt. „Dat blijkt uit onderzoeken. Soort zoekt soort, niet alleen op individueel, maar ook op buurtniveau.”

Kun je een ontwikkeling wel bijsturen, die voortkomt uit de meest persoonlijke drijfveer van de mens: de liefde? Dat is een open vraag, zegt Latten. „Verliefdheid is een volstrekt legitieme drijfveer. Maar het leidt ook tot segregatie, inkomensverschillen en achterblijvers.”

STEREOTYPEN IN STAD EN REGIO

Het powerkoppel in de Randstad

Hoogopgeleiden van eind dertig die sinds hun studietijd in de Randstad wonen. Ze werken allebei (bijna) fulltime, zijn in dienst of hebben een goedlopende onderneming en soms meerdere banen. Hun kinderen, geboren toen ze allebei zeker waren van een vaste baan, doen buiten school aan activiteiten als muziek of toneel. Ze zijn vol vertrouwen in anderen en in de politiek. Ze wonen in een koophuis.

De mannelijke single uit de Achterhoek

Hij, dertiger, is geboren en getogen aan de rand van het land. Hij woont in een sociale huurwoning of weer bij zijn ouders. Een relatie was het niet helemaal. Nu is hij veel aan het daten en zit hij met zijn vrienden in het weekend in de kroeg. Rondkomen lukt net, van een tijdelijke baan of van een uitkering. Als laagopgeleide man heeft hij de minste kans om met een hoogopgeleide te trouwen.

De laagopgeleide vrouw in Oost-Groningen

Zij, dertiger, is opgegroeid in een vertrekregio, heeft tijdelijk werk of zit in de bijstand. Ze kreeg rond haar twintigste een kind. De relatie met de vader ging uit voor haar dertigste. Ze wil nog een kind. Een laagopgeleide man met flexcontract kan haar risico op armoede vergroten, omdat zij dan haar bijstandsuitkering verliest. Een hoogopgeleide man heeft dat risico niet, maar als laagopgeleide heeft ze minder ‘relatiekapitaal’. De kans dat ze zo’n man vindt, is klein.

Bron: NRC.

_____________________________________________________________________________________________

Jan Latten
Jan Latten © Frank jansen

In Statenkwartier is 66 procent hoog opgeleid, in Schilderswijk tien: Verdeeldheid in stad groeit

Den Haag is een sterk verdeelde stad. En die segregatie gaat alleen maar toenemen, voorspelt hoog-leraar en sociaal demograaf Jan Latten.

Door Lex de Jonge, 14 november 2019

Den Haag is een stad van extremen, weet ook Jan Latten, Hagenaar en hoogleraar sociale demografie aan de Universiteit van Amsterdam. Een stad waar arm en rijk fysiek verdeeld zijn als bijna nergens anders in ons land. Een stad die zowel op de lijstjes van de rijkste als de armste wijken goed vertegenwoordigd is.

Segregatie heet dat ook wel, en dat thema is altijd goed voor verhitte debatten in de politiek. Moeten we niet duurder gaan bouwen in arme wijken en goedkoper gaan bouwen in dure wijken om een beetje van de extreme verdeeldheid af te komen?

Statenkwar­tier is op, en nu beginnen de expats zich in de omringende wijken als Regentesse­kwar­tier te vestigen

Jan Latten vraagt het zich sterk af. ,,Mensen zoeken gelijkgestemden op”, zegt hij. ,,Dat zie je als je kijkt naar inkomen en etniciteit. Mensen die veel meer of minder verdienen dan het gemiddelde in een wijk zijn de eersten die vertrekken. Hetzelfde zie je bij mensen die eenzaam tussen de witte wijkgenoten of eenzaam tussen de gekleurden zitten.”

Opvallend genoeg doet het verschijnsel van ‘soort zoekt soort’ zich het sterkst voor als er naar de leefstijl van mensen wordt gekeken, stelt de oud-directeur van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Is die ‘traditioneel’ (vooral de man werkt, vrouw hooguit een dag), of meer ‘modern’ (man en vrouw werken allebei, man voert ook verzorgende taken uit)? Latten: ,,Hoe kijk je tegen het moderne leven aan? Dat is voor mensen een heel belangrijke reden om elkaar op te zoeken.”

Maar hoe gaat dat straks, als de hard groeiende stad in 2040 een kleine 100.000 inwoners meer telt dan nu? Hoe verandert dat de Haagse bevolking en wat doet dat met de wijken? De antwoorden zoeken we bij de hoogleraar sociale demografie die zich dus ook een Hagenaar mag noemen.

Hoe hard groeit de bevolking eigenlijk?

,,Ik begrijp dat het in Den Haag harder gaat dan de prognoses aangeven. Dat geldt voor Nederland als geheel ook. Voor dit jaar komen we uit op een groei van 125.000 inwoners, waarvan zo’n 100.000 vanuit de migratie. Dat is veel meer dan verwacht. En dat komt vooral doordat men de migratie verkeerd inschat. Vorig jaar zou het migratiesaldo (de som van binnenkomende immigranten en vertrekkende emigranten, red.) uitkomen op een plus van 35.000 voor Nederland, luidde de prognose. Nou, dat werd 88.000. En zo gaat het steeds.”

,,Als je niet erkent dat de samenleving zo sterk groeit door uitsluitend nieuwkomers en hun nakomelingen, dan moet je niet vreemd opkijken dat het gaat botsen. De huidige cijfers zijn de voorbode van het maatschappelijke debat dat ons te wachten staat. En dat wordt meer, heftiger en intensiever dan nu.”

Wat betekent die bevolkingsexplosie voor de tweedeling die in Den Haag zo sterk aanwezig is?

,,De segregatie wordt alleen maar groter. Den Haag heeft nu iets meer hoogopgeleiden dan Nederland gemiddeld, plus drie procent. En iets meer laagopgeleiden dan Nederland gemiddeld, plus drie procent. De middengroep is juist veel minder goed vertegenwoordigd in de stad. De gezinnen die zich bijvoorbeeld in de randgemeenten grotere of minder dure woningen kunnen veroorloven, trekken weg uit de stad. En die trend zal doorzetten, gezien ook de stijgende huizenprijzen.”

Hoe zit dat in de Haagse wijken?

,,Ook het verschil tussen de arme en rijke Haagse buurten wordt straks groter. Het is nu natuurlijk al fors. Neem Statenkwartier, de wijk van de expats en bakfietsgezinnen: daar is 66 procent hoog opgeleid en tien procent laag opgeleid. En neem dan de Schilderswijk, toch niet ver weg van het Statenkwartier. Die andere ‘internationale zone’ telt tien procent aan hoogopgeleide inwoners en zestig procent aan laagopgeleiden.‘’

En dat opleidingsniveau zegt meer over deze wijken dan alleen het genoten onderwijs, benadrukt Latten. ,,Opleidingsniveau is een goede indicator voor iemands kansen. Wie hoog opgeleid is, heeft een abonnement op een gunstig leven, zou je haast kunnen zeggen. De kans dat hij of zij een fijn inkomen, een mooi huis, een gezond leven en succesvolle kinderen krijgt, is heel groot. Wie laag opgeleid is, heeft een abonnement op problemen.”

Wie laag opgeleid is, heeft een abonnement op problemen

Maar waarom worden de verschillen nog groter?

,,De internationale ambtenarij, de diploma-elite uit het buitenland zie je groeien. Zij kunnen veel betalen en drukken daardoor bijvoorbeeld in Statenkwartier de middeninkomens weg. Sterker: Statenkwartier is op, en nu beginnen de expats zich in de omringende wijken als Regentessekwartier te vestigen. Ook daar gaan de huizenprijzen fors omhoog.”

,,Dat is de trend. Een wijk als Statenkwartier wordt ongetwijfeld nog duurder en ‘breidt zich zelfs uit’. Ondertussen zie je een andere ontwikkeling in goedkopere wijken als de Schilderswijk en Zuidwest die met segregatie verband houdt. Sociale woningen worden steeds meer het toevluchtsoord voor de meest kwetsbaren. Mensen die met z’n tweeën weinig verdienen, komen er al niet meer voor in aanmerking. Het zijn alleenstaande AOW’ers, gescheiden mensen, asielmigranten en mensen met een ggz-uitkering die zo’n woning krijgen: de meest kwetsbaren dus. Je ziet het ook aan de schuldenlast: die neemt per huurwoning toe.”

Hoe slecht is de ontwikkeling?

,,Laat ik het zo zeggen. Dat Den Haag heeft ingezet op expats en op de internationale instellingen is economisch gezien de redding van de stad geweest. Dat was echt hard nodig. Daar kun je bijna niet op tegen zijn.”

Moeten we de Haagse wijken gezien de almaar groeiende tweedeling dan toch niet meer gaan mixen?

,,Professionals willen dat graag: 61 procent van hen vindt dat belangrijk. Maar als je het aan de mensen zelf vraagt, krijg je een heel ander beeld. Dan vindt 31 procent het belangrijk om in een diverse wijk met verschillende leefstijlen te wonen. Voor heel veel mensen hoeft het niet zo.”

,,Als je het al doet moet je het voorzichtig doen. Het is met buurten als met relaties: je kunt best met iemand trouwen die een hogere of lagere opleiding heeft, maar het verschil moet niet té groot zijn. Want die huwelijken gaan het eerst stuk. In een wijk kun je best ‘downdaten of updaten’, maar met een stap, anders gaat het mis.”

We krijgen bij ongewijzigd beleid meer migranten en meer segregatie. Wat heeft de toekomst verder in petto voor Den Haag?

,,De vergrijzing natuurlijk. Dat betekent een grotere vraag naar aandacht en naar veiligheid, want dat zijn dé thema’s voor de ouderen. Je kunt oudere mensen die weinig kennissen hebben niet opsluiten in een flatje. Je moet bij het bouwen nadenken over manieren om hen contact te laten maken met hun omgeving. Dat moet je faciliteren.”

Vroeger had bijna elke twintiger een kinderwens, maar dat lijkt door deze problemen steeds meer een taboe te worden

,,Overigens: vergrijzing betekent ook dat we het vaker gaan hebben over de dood, over euthanasie. Je ziet de eerste tekenen nu al met een programma als De Kist en een omroep als MAX. En we vallen steeds vaker letterlijk dood. Sinds 2015, 2016 zie je dat in de statistieken: een grote stijging van het aantal doden door een val. Hoogstwaarschijnlijk omdat mensen tot op zeer hoge leeftijd thuis blijven wonen. Het gaat inmiddels om vier- tot vijfduizend mensen per jaar.”

Nog een boodschap voor jongeren?

,,Ja, dat heeft te maken met de bevolkingsgroei en met de beroering rond klimaat en milieu. Vroeger had bijna elke twintiger een kinderwens, maar dat lijkt door deze problemen steeds meer een taboe te worden. Wat ik de jonge generatie mee wil geven: babyschaamte is echt nergens voor nodig. Sterker: als collectief hebben we heel hard kinderen nodig. Anders krijgen we over twintig jaar grote moeite om onze verzorgingsstaat overeind te houden.”

Bron: AD.

_____________________________________________________________________________________________

Tweedeling in Nederland: De stad en de rest

De uitslag van de Brexit toonde een diepe kloof tussen stad en land. Hoe is het met deze kloof in Nederland gesteld? En wat is de toekomst: meer macht aan de stad of weer op één lijn proberen te komen? Stadsleven stagiaire Eva Beerling maakt de balans op voor Nederland aan de hand van drie onderzoeken van het CBS, PBL en het SCP waaruit blijkt: Ook in Nederland is een duidelijke kloof tussen de grote stad en de rest van het land.

In Nederland werd dit jaar door het planbureau van de leefomgeving (PBL) en het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) gekeken naar de verdeling van inkomen, banen en bevolking in Nederland. Tijdens het CBS Stedendebat bediscussieerden Zef Hemel, Jan Latten en Annemarie Jorritsma onder de leiding van Tracy Metz de groeiende randstad en krimpende randen in Nederland. Wat zijn de gevolgen van deze verdeling? CBS bevolking

Credits: Still uit CBS Stedendebat – presentatie Jan Latten

In bovenstaande afbeelding zie je duidelijk de groei van de steden terug, voornamelijk rondom de Randstad, maar ook rondom grotere steden als Groningen. Deze groeibeweging zuigt de omliggende gebieden leeg. Deze groei van de stad, zo blijkt ook uit de meest recente ‘Atlas voor gemeenten‘, geldt niet voor alle steden. Tien van vijftig grootste gemeenten kampen met krimp, o.a. Emmen, Roosendaal en Heerlen. De ligging van deze steden aan de rand van het land en ver weg van de randstad maakt ze minder aantrekkelijk om te wonen.

Echter gaat niet iedereen naar de grote stad, dit geldt voornamelijk voor hoogopgeleide jonge mensen met een hoog inkomen. Op zoek naar een baan, hoger inkomen, een opleiding, spanning of een partner. Allemaal makkelijker te vinden in de stad. Uit onderzoek van Jan Latten en Marjolijn Das is zelfs gebleken dat vrouwen die van het platteland naar de stad verhuizen vaak uiteindelijk hoger opgeleid zijn en meer geld verdienen. Ook vinden ze vaker een hoogopgeleide partner, waarmee ze bouwen dit succes nog verder uitbouwen. Hierdoor wordt de kloof met het platteland nog groter. Mensen denken vaak bij ontmenging aan een stedelijke schaal, maar op dit moment vind er op landelijke schaal ontmenging plaats in Nederland. Want belangrijker dan de krimp zijn niet de aantallen, maar wie er overblijven. Zoals Niels Markus en Hanne Obbink in ‘Niet louter juichen over de stad‘ (Trouw, 2 april 2016) schrijven: 

“Zoals ooit mensen met weinig opleiding en een laag inkomen achterbleven in de achterstandswijken in de grote steden, zo blijven ze nu achter in steden als Heerlen en Delfzijl.”

De gevolgen van de tweedeling: Banen

Het PBL onderzoekt in ‘De verdeelde triomf – Verkenning van stedelijk economische ongelijkheid en opties voor beleid’ of de veelbesproken ‘triomf van de stad’ voor alle steden geldt. Als onderdeel van dit rapport keken ze ook naar het verschil tussen stedelijke en niet-stedelijke regio’s. Hierbij wordt ook direct een vergelijking getrokken met de EU.PBL banen stijging

Credits: PBL – rapport ‘De verdeelde triomf’

Zoals te zien in bovenstaande afbeelding zijn de banen in stedelijk gebied sneller gestegen dan in niet-stedelijk, maar hebben beiden wel een redelijk gelijk stijgende lijn, vooral wanneer je het vergelijkt met de banenstijging in de EU. Echter, melden Niels Markus en Hanne Obbink in dit artikel in Trouw wel dat de onderzoekers verbaasd waren over de scheve verdeling, aangezien voor Nederlanders gelijkheid hoog op de sociaal-politieke agenda staat. Beide lijnen stijgen, maar omdat het een percentage is ten opzichte van het totaal in 1991 betekent dit wel dat de hoeveelheid banen in steden in vergelijking met de rest van het land sterker stijgt. Het verschil tussen stad en land neemt dus toe in niet alleen aantallen maar ook in percentage van het totaal.CBS bijstand

Credits: CBS Stedendebat Jan Latten

Je ziet het tekort aan banen en de scheve verdeling van hoog- en laagopgeleiden ook terug in bovenstaande statistiek over bijstandsuitkering.

De gevolgen van de tweedeling: Lonen

Wanneer je kijkt naar de lonen zie je een nog schevere verdeling tussen stad en land. De lonen in Amsterdam liggen gemiddeld 10% hoger dan elders en die van Rotterdam en Den Haag 8%, voor hetzelfde werk en met deze achtergrond. Ook hier zien we weer een tweedeling, in de Randstad is het verschil het hoogst, maar in Leeuwarden, Enschede en Heerlen liggen de lonen gemiddeld niet hoger, maar zelfs lager dan buiten de steden.CBS inkomen

Credits: CBS Stedendebat – Presentatie Jan Latten

Er zijn drie factoren die o.a. het gemiddeld inkomen in een stad bepalen: het type banen, hoeveel voor hoogopgeleiden en de hoogte van de lonen voor banen in het algemeen. Voor alle drie trekken mensen in de buitengebieden aan het kortste eind. Het aantal banen voor hoogopgeleiden ligt hoger in de stad en de lonen liggen überhaupt hoger in de stad. Dit zie je dan ook erg duidelijk terug in bovenstaande statistiek.

Deze ongelijkheid kan diepgaande gevolgen hebben. Het succes van de steden is ‘onlosmakelijk verbonden’ met toenemende economische ongelijkheid, zegt PBL-onderzoeker Otto Raspe in dit artikel. En zoals PBL-onderzoekers in dit artikel van Trouw ‘Stad blijf groeien, maar ergens is er een grens‘ schrijven:

“Hou als Rijk de vinger aan de pols. Want de triomf van de stad heeft schaduwkanten: die zuigt andere plekken leeg en kan leiden tot een opdeling van de samenleving in kansrijk en kansarm.”

Tweedeling in Nederland: onvrede

Volgens het onderzoek ‘Verschil in Nederland‘ (2014) van het Sociaal en Cultureel Planbureau kan deze tweedeling ook leiden tot politieke onvrede. 

“Mensen met een hoge opleiding, een hoog beroepsniveau en een luxe leefstijl kennen minder politieke onvrede dan mensen die dat niet hebben. Er is een sterke relatie tussen politieke onvrede en stemintenties. De onvrede is verreweg het grootst bij PVV-stemmers en het laagste bij mensen die stemmen op GroenLinks. Mensen met veel politieke onvrede hebben ook een sterkere voorkeur voor directe democratie én voor sterke leiders.”

Deze tweedeling in Nederland tussen stad en land kan dus ook leiden tot een hogere politieke onvrede in niet-stedelijke gebieden. Een proces dat erg veel lijkt op wat zichtbaar werd tijdens de Brexit in het Verenigd Koninkrijk.

Armoede van generatie op generatie

Een kind dat meer dan de helft van zijn of haar kindertijd in armoede leeft, heeft meer dan 40 procent kans om ook in armoede te leven wanneer hij of zij 35 jaar is (Carr & Weimers 2016).

Door Marian Feitsma

In de Veenkoloniën wonen van oudsher veel gezinnen die leven van een laag inkomen. Het vermoeden is dat deze armoede vaak van generatie op generatie wordt doorgegeven. Zowel ouders als hun kinderen verkeren dan in een situatie waarin ze moeten rondkomen van een laag inkomen. Hoe langer deze situatie duurt, hoe moeilijker het is om eruit te komen. In het dossier ‘Armoede van generatie op generatie’ geven we een beeld van het risico op armoede van jongvolwassenen en hun ouders in de Veenkoloniën.

Sociaal Planbureau Groningen, Trendbureau Drenthe en Rijksuniversiteit Groningen maken gezamenlijk feiten en cijfers inzichtelijk over generatiearmoede in de Veenkoloniën. Dit is onderdeel van een grootschalig onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen naar de mechanismen achter armoede en uitsluiting die van generatie op generatie wordt overgebracht.

De gegevens zijn gebaseerd op microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek waarbij we de meest recente cijfers presenteren.

Centrale vragen zijn:

  • Welke kenmerken hebben de huishoudens in de Veenkoloniën die onder de lage-inkomensgrens leven?
  • Hoeveel jongvolwassenen in de leeftijd van 22-26 jaar en woonachtig in de Veenkoloniën wonen in een huishouden met een inkomen onder de lage inkomensgrens?
  • Hoeveel ouders van de jongvolwassenen met een laag inkomen, hebben zelf ook een inkomen onder de lage inkomensgrens?
  • Waar wonen de jongvolwassenen en waar hun ouders?

Armoede in de Veenkoloniën

Er is sprake van armoede wanneer iemand gedurende langere tijd niet de middelen heeft om te kunnen beschikken over de goederen en voorzieningen die in de samenleving als minimaal noodzakelijk gelden (SCP 2016). Bijvoorbeeld wanneer iemand onvoldoende inkomen heeft voor voeding of een goede woning. Hoeveel mensen hebben een hoog risico op armoede in de Veenkoloniën? En hoeveel jongvolwassenen? De gegevens zijn gebaseerd op de meest recente microdata van het CBS.

In het kort

  • In de Veenkoloniën wonen meer jongvolwassenen met een inkomen onder de armoedegrens dan gemiddeld in Nederland (9% versus 7%).
  • Zowel onder de jongvolwassenen als onder alle inwoners met een laag inkomen neemt het aandeel langdurig armen toe.

Meer ‘arme’ jongvolwassenen in de Veenkoloniën dan in Nederland

Van alle 22-26 jarigen in de Veenkoloniën leeft bijna 9% van een laag inkomen. Dat zijn 1.428 jongeren die een hoog risico op armoede hebben. Het aandeel jongvolwassenen in armoede in de Veenkoloniën is hoger dan gemiddeld in Nederland. In Nederland leeft net geen 7% in armoede. De groep 22-26 jarigen in de Veenkoloniën springt er dus negatief uit. Studentenhuishoudens zijn hierin niet meegerekend.

Het percentage van het totaal aantal mensen met een laag inkomen in de Veenkoloniën wijkt maar heel weinig af van het landelijke gemiddelde. In beide gevallen is dat rond de 7%.

Door de jaren heen is het aandeel mensen in armoede in de Veenkoloniën nagenoeg gelijk gebleven (rond de 7%). Het aandeel jongvolwassenen met een laag inkomen is relatief gezien iets afgenomen, namelijk van 9,5% in 2014 naar 8,8% in 2016.

Langdurig laag inkomen

Mensen met een langdurig laag inkomen moeten 4 jaar of langer rondkomen van een laag inkomen. In de Veenkoloniën heeft ongeveer 38% van de mensen langdurig een laag inkomen. Bij de jongvolwassenen ligt dit aandeel lager, namelijk 19%. Leeftijd heeft duidelijk invloed op de duur van het leven in armoede. Uit onderzoek blijkt dat huishoudens met een jonge kostwinner vaker kortdurend een laag inkomen hebben. Het risico op langdurige armoede neemt toe zodra de hoofdkostwinner ouder wordt (Sociaal Planbureau Groningen & Trendbureau Drenthe 2018). Hoe langer iemand in armoede blijft hoe moeilijker het is om eruit te komen. Dit komt mede doordat in de leeftijd van 50 tot zo’n 65 jaar een steeds groter deel wegens arbeidsongeschiktheid of werkloosheid afhankelijk wordt (en blijft) van een uitkering (CBS 2018).

Door de jaren zien we bij beide groepen een toename in het aandeel mensen dat langdurig arm is. De toename komt voornamelijk doordat meer huishoudens langdurig afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering. Huishoudens die door toedoen van de economische crisis onder de streep zijn terechtgekomen, hebben zich hieraan niet altijd weten te onttrekken (CBS 2018).

Wie hebben hoog risico op armoede

Leven in armoede kan iedereen overkomen, maar sommige groepen huishoudens lopen meer risico op armoede dan anderen. Deze groepen huishoudens worden ook wel ‘risicogroepen’ genoemd en hebben relatief vaak een laag inkomen. In alle OECD landen (waaronder Nederland) hebben eenoudergezinnen bijvoorbeeld een hoger risico op armoede. Ook huishoudens met een niet-Nederlandse achtergrond, een lage opleiding en weinig werkervaring hebben een hoog risico op armoede. Ook de kinderen van gezinnen met deze kenmerken hebben een hoger risico op armoede (Richardson & Bradshaw 2012). Wie in de Veenkoloniën een hoger risico op armoede hebben, brengen we hier in beeld. Daarbij maken we onderscheid in het totaal aantal personen met een laag inkomen en jongvolwassenen (22-26 jarigen) in de Veenkoloniën.

In het kort

  • Risicogroepen in de Veenkoloniën zijn vrouwen, eenoudergezinnen (vooral tienermoeders), alleenstaanden, niet-westerse eerste generatie huishoudens en mensen met een bijstandsuitkering.

Vrouwen hebben een hoger risico op armoede dan mannen

In de Veenkoloniën zijn er relatief meer vrouwen dan mannen met een hoog risico op armoede. Dat geldt vooral voor de groep jongvolwassenen. In 2016 leefde 10% van alle vrouwelijke 22-26 jarigen in armoede. In totaal warden dat 749 vrouwen. Van de mannelijke 22-26 jarigen was dat bijna 8%, oftewel 679 mannen.

Kijkend naar alle volwassenen dan zien we ook dat iets meer vrouwen dan mannen in de Veenkoloniën moeten rondkomen van een laag inkomen. De verschillen zijn wel minder groot dan bij de jongvolwassenen.

Overigens blijkt dat in heel Nederland meer vrouwen dan mannen in armoede leven. Dit verschil heeft onder andere te maken met het feit dat vrouwen vaker in deeltijd werken dan mannen. Hoe beperkter de werkweek, hoe hoger het (langdurig) armoederisico is (CBS 2018a). Ook bestaan er beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen wat van invloed is. Volgens het CBS (2016) zijn deze verschillen voor een belangrijk deel verklaarbaar door kenmerken als opleidingsniveau, beroepsniveau, het hebben van deeltijd- of voltijdwerk en werkervaring.

Eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen lopen meer risico

In de Veenkoloniën leven vooral eenoudergezinnen met minderjarige kinderen relatief vaak in armoede (28% in 2016). Jongvolwassenen met een jong kind lopen zelfs nog meer risico; bijna de helft van alle alleenstaande 22-26 jarigen met een minderjarig kind leeft onder de armoedegrens.

Zodra kinderen ouder worden, lijkt er minder risico op armoede voor het gehele gezin. Deze trend is zowel bij eenoudergezinnen als bij paren zichtbaar. Mogelijke verklaringen zijn dat ouders met meerderjarige kinderen makkelijker voltijds kunnen werken of dat de thuiswonende kinderen zelf een baan vinden en wellicht daarmee een bijdrage leveren aan het gezinsinkomen.

Ook eenpersoonshuishoudens hebben een naar verhouding hoog risico op armoede. Dat risico ligt wel wat lager dan bij eenoudergezinnen. Onder de jongvolwassenen in de Veenkoloniën is 28% van de alleenstaanden arm. In de hele Veenkoloniën was dat 15% van de alleenstaanden.

Uit landelijk onderzoek blijkt ook dat eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen risicogroepen zijn (Hoff 2017). De ontwrichting van een huishouden door bijvoorbeeld een scheiding beïnvloedt de welvaart van een huishouden (Keister 2004). Vooral tienermoeders hebben een grotere kans om in armoede te leven. Deze grotere kans op armoede is niet alleen vanwege hun alleenstaande status; er is vaak ook een causaal verband met andere karakteristieken, zoals een laag opleidingsniveau (Page & Stevens 2004).

Mensen van niet-westerse herkomst hebben hoog risico op armoede

In Nederland hebben huishoudens van niet-westerse afkomst een hoog risico op armoede. Dat blijkt ook het geval in de Veenkoloniën. Vooral de eerste generatie niet-westersen leven in armoede. Een derde van deze mensen heeft een laag inkomen (32%). Van de jongvolwassenen in deze groep leeft zelfs vier op de tien onder de armoedegrens (41%).

Door de jaren is er een stijging van het aantal niet-westerse huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens te zien. Uit recent onderzoek van het CBS (2018b) blijkt dat dit voor ruim een derde voor rekening komt van vooral Syrische vluchtelingen. Zij hebben een verblijfsvergunning ontvangen, maar zijn merendeels afhankelijk van een bijstandsuitkering.

Wat opvalt is dat het risico op armoede bij tweede generatie gezinnen ruim twee keer zo laag is als bij eerste generatie gezinnen. De tweede generatie is gemiddeld hoger opgeleid en heeft daardoor betere kansen op de arbeidsmarkt, aldus het CBS (2018b).

Kijken we naar de absolute cijfers dan zien we dat de meeste armen van Nederlandse afkomst zijn. Zo is meer dan 75% van de arme huishoudens van Nederlandse afkomst, 16% van niet-westerse afkomst (1e en 2e generatie) en 9% van westerse afkomst (1e en 2e generatie). Dit is logisch want 80% van de bevolking bestaat uit autochtone Nederlanders.

Bron van inkomsten heeft invloed

Tot slot bekijken we de voornaamste bron van inkomsten van de mensen wonend in een huishouden met een laag inkomen. Mensen met een uitkering hebben een hoger risico op armoede dan mensen met loon uit arbeid of een eigen onderneming.

Vooral mensen met een bijstandsuitkering moeten rondkomen van een inkomen onder de lage inkomensgrens. In de Veenkoloniën is drie kwart van alle bijstandsgerechtigden arm. Voor de jongvolwassenen in de Veenkoloniën is dat een gelijk aandeel. Door de jaren neemt het aandeel armen in de bijstand toe. In 2014 had 70% van de bijstandsgerechtigden een laag inkomen, in 2016 was dat 76%.

Alhoewel bijstandsuitkeringen een ondersteunend effect kunnen hebben op het reduceren van meergeneratie armoede zijn er ook duidelijke aanwijzingen voor de intergenerationele overdracht van bijstandsuitkeringen. De volgende mechanismen versterken deze overdracht:

  1. Wanneer ouders een bijstandsuitkering hebben, kan dit stigma van het leven in de bijstand verkleinen voor hun kinderen.
  2. Ouders die een bijstandsuitkering ontvangen, kunnen informatie doorgeven over de procedures en karakteristieken van verschillende uitkeringen aan hun kinderen.
  3. Ouders die een bijstandsuitkering ontvangen, hebben een kleiner werk-gerelateerd netwerk en maken daardoor het zoekproces naar werk voor hun kinderen moeilijker (D’Addio 2007).

“Betaald werk hebben en toch arm zijn”

Niet alleen mensen met een uitkering hebben een armoederisico. Er zijn ook werkenden die in armoede leven. Van de 210.000 werkenden in de Veenkoloniën moest in 2016 rond de 2% rondkomen van een laag inkomen. Het gaat dan om circa 4.000 mensen waarvan 300 jongvolwassenen. Van de werkenden zijn ZZP’ers het meest kwetsbaar. Meer dan 10% van de mensen met een inkomen uit eigen onderneming maakte in 2016 deel uit van een huishouden onder de lage-inkomensgrens.

Redenen waarom het inkomen van werkenden onder de armoedegrens kan liggen, zijn een korte arbeidsduur (parttime werken of minder dan twaalf maanden per jaar werken) en lage verdiensten per uur (en weinig overige inkomsten). Daarbij hebben huishoudelijke kenmerken ook invloed, zoals het wonen in een gezin met veel (minderjarige) kinderen. Voor zelfstandigen geldt daarbij dat ze niet standaard het minimumloon krijgen (Vrooman et al. 2018).

Literatuur

CBS (2018a). Armoede en Sociale uitsluiting. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.
CBS (2018b). https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/46/meer-huishoudens-met-risico-op-armoede-in-2017
CBS (2016). Gelijk loon voor gelijk werk? Banen en lonen bij de overheid en bedrijfsleven, 2014. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Hoff, S. (2017). Armoede onder kinderen – een probleemschets. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Richardson, D., & Bradshaw, J. (2012). Family-oriented anti-poverty policies in developed countries. New York: United Nations.
D’Addio, A. (2007) Intergenerational Transmission of Disadvantage: Mobility or Immobility Across Generations? A Review of the Evidence for OECD Countries, Paris: OECD.
Vrooman, C. et al. (2018). Als werk weinig opbrengt. Werkende armen in vijf Europese landen en twintig Nederlandse gemeenten. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Jongvolwassenen en hun ouders

Het opgroeien in armoede vergroot de kans op armoede op latere leeftijd (Gaiaux 2011). Een kind dat meer dan de helft van zijn of haar kindertijd in armoede leeft, heeft meer dan 40 procent kans om ook in armoede te leven wanneer hij of zij 35 jaar is (Carr & Weimers 2016). Armoede wordt dan generatie op generatie doorgegeven. In hoeverre hebben de Veenkoloniën te maken met deze generatiearmoede? Om dat na te gaan is gekeken in hoeverre de ouders van arme jongvolwassenen ook in armoede leven. Het inkomen van de jongvolwassenen is vergeleken met het inkomen van hun ouders. De gegevens zijn gebaseerd op microdata van het CBS.

In het kort

  • In de Veenkoloniën hebben de ouders van jongvolwassenen met een laag inkomen, zelf ook vaak een laag inkomen.
  • Door de jaren zien we dat het aandeel arme vaders en moeders sterker toeneemt in de groep arme jongvolwassenen dan in de totale groep jongvolwassenen in de Veenkoloniën.

Ouders van ‘arme’ jongvolwassenen zijn zelf ook vaker arm

Om zicht te krijgen op de overdracht van armoede van de ene generatie op de andere, is het inkomen van de jongvolwassenen vergeleken met het inkomen van hun ouders. We zien dat een aanzienlijk deel van de ouders van jongvolwassenen met een laag inkomen, zelf ook moeten rondkomen van een laag inkomen. In 2016 hadden een kwart van de vaders (25,8%) en meer dan een derde van de moeders (36,7%) van de jongvolwassen in armoede, zelf ook een laag inkomen. En daarmee een groot risico op armoede.

Bij de volledige groep jongvolwassenen in de Veenkoloniën ligt dit anders: nog geen 6% van de vaders en 8% van de moeders hadden een laag inkomen (in 2016). We kunnen dan ook stellen dat ‘arme’ jongvolwassenen vaker ‘arme’ ouders hebben. Of in andere woorden, de kans is groot dat armoede van generatie op generatie wordt doorgegeven.

Ontwikkelingen door de tijd

Door de jaren neemt het aandeel vaders en moeders met een laag inkomen sterker toe in de groep arme jongvolwassenen dan in de totale groep jongvolwassenen in de Veenkoloniën. In 2011 was bijvoorbeeld 28% van de moeders van arme jongvolwassenen ook arm; in 2016 was dat bijna 37%. Voor de vaders was dat 21% in 2011 en bijna 26% in 2016. Voor de totale groep 22-26 jarigen in de Veenkoloniën was deze groei minder sterk.

Dit komt overeen met eerdere onderzoeken. Guiaux (2011) toonde bijvoorbeeld aan dat het opgroeien in een gezin met weinig inkomen de kans verhoogt dat men jaren later opnieuw in die situatie terechtkomt. De duur van de armoede maakt eveneens uit: voor kinderen die in hun jeugd langdurig arm waren, is de kans op armoede als volwassene groter.

Literatuur

Carr, M., & Wiemers, E. E. (2016). The decline in lifetime earnings mobility in the US: Evidence from survey-linked administrative data. Washington, DC: Washington Center for Equitable Growth.

Gaiaux, M. (2011). Voorbestemd tot achterstand: armoede en sociale uitsluiting in de kindertijd en 25 jaar later. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Regionale spreiding

Hoge armoedecijfers komen niet alleen voor in de grotere steden in Nederland, maar ook in kleinere gemeenten. Vooral in het noordoosten van het land blijk dat het geval. In het westen van het land zijn er, buiten de grote steden, relatief weinig gemeenten met een bovengemiddeld aandeel huishoudens met een laag inkomen (CBS 2018; SCP 2016). We brengen hier inzicht in de regionale spreiding van gezinnen met lage inkomens in de Veenkoloniën. Deze analyse brengt de sociaaleconomische positie van kinderen in verband met de sociaaleconomische positie van de ouders.

In het kort

  • In de Veenkoloniën hebben de gemeenten Hoogezand-Sappemeer en Pekela het hoogste aandeel personen met risico op armoede. De gemeente Aa en Hunze heeft het kleinste aandeel mensen in armoede.
  • Met name in het noorden van de Veenkoloniën is een concentratie van armoede onder jongvolwassenen. Ook hier springen Hoogezand-Sappemeer en Pekela er in negatieve in zin uit.
  • Zowel de ‘arme’ jongvolwassenen als hun ‘arme’ ouders zijn geconcentreerd in het noordelijke deel van de Veenkoloniën.

Regionale spreiding van arme gezinnen in de Veenkoloniën

Armoede wordt niet alleen overgedragen van ouder op kind via het inkomen en de kenmerken van het huishouden, maar houdt ook verband met opgroeien in buurten met veel armoede (Van Ham et al. 2014). Onderzoek laat zien dat opgroeien in een achtergestelde buurt een negatief effect heeft op het inkomen als volwassene later in het leven. Dit effect blijft bestaan gedurende een zeer lange periode (Hedman et al. 2013).

Aan de hand van ruimtelijke analyses brengen we in kaart waar arme gezinnen in de Veenkoloniën voornamelijk wonen. Kaart 1 laat de regionale spreiding van gezinnen met een laag-inkomen zien. Hoe donkerder de kleur in de kaart, hoe groter het aantal personen wonend in een huishouden onder de lage inkomensgrens. Dit is ten opzichte van het totale aantal personen die in de desbetreffende gemeente wonen.

De gemeenten Hoogezand-Sappemeer en Pekela vallen op. Beide gemeenten hebben het hoogste percentage mensen met een laag inkomen (respectievelijk 8,9% en 8,5%). De gemeente Aa en Hunze heeft de minste mensen met een hoog risico op armoede, namelijk 4,2%.

In absolute aantallen wonen overigens in Emmen en Oldambt de meeste mensen met een inkomen onder de lage-inkomensgrens. In Bellingwedde en Menterwolde wonen de minste mensen in armoede. De cijfers betreffen het jaar 2016.

Regionale spreiding van jongvolwassenen met lage inkomens

Er is ook ingezoomd op de jongvolwassenen in de Veenkoloniën. Kaart 2 brengt financiële armoede bij jongvolwassenen in beeld. We zien hetzelfde beeld als bij het totaal aantal personen met een laag inkomen. Er is met name in het noorden van de Veenkoloniën een concentratie van armoede onder 22-26 jarigen. In Hoogezand-Sappemeer woont ruim 13% van de 22-26 jarigen in een huishouden met een laag inkomen; in Pekela is dat 11%. In Coevorden en Borger-Odoorn zien we de minste jongvolwassenen met een hoog risico op armoede (respectievelijk 7,3% en 8,4%).

In absolute aantallen wonen de meeste jongvolwassenen met een hoog risico op armoede in de gemeenten Emmen en Oldambt. In Menterwolde en Bellingwedde wonen de minste 22-26 jarigen met een laag inkomen.

Waar wonen de ouders van de jongvolwassenen met een hoog armoederisico?

Tot slot, zijn de jongvolwassenen die leven met een laag inkomen gekoppeld aan hun ouders. Kaart 3 en 4 geven inzicht in de regionale spreiding van de vaders en moeders van de jongvolwassenen. Deze ouders hebben zelf ook een laag inkomen. Omdat van veel ouders geen gegevens beschikbaar zijn, geven deze kaarten een indicatie van de spreiding, maar niet een volledig beeld.

Net als bij de jongvolwassenen met een hoog risico op armoede, zien we dat veel van hun ouders, die ook een laag inkomen hebben, wonen in het noordelijke deel van de Veenkoloniën. Ook hier vallen Pekela en Hoogezand-Sappemeer op. We zagen al dat veel ouders van jongvolwassenen in armoede zelf ook vaak een hoog armoederisico hebben (zie de webpagina jongvolwassenen en hun ouders). Uit deze ruimtelijke analyse blijkt ook dat zowel de ‘arme’ jongvolwassenen als hun ‘arme’ ouders in het noordelijke deel van de Veenkoloniën zijn geconcentreerd.

Literatuur

Van Ham, M., Hedman, L., Manley, D., Coulter, R., & Östh, J. (2014). Intergenerational transmission of neighbourhood poverty: an analysis of neighbourhood histories of individuals. Transactions of the Institute of British Geographers, 39(3), 402-417.

Hedman, L., Manley, D., Van Ham, M., & Östh, J. (2013). Cumulative exposure to disadvantage and the intergenerational transmission of neighbourhood effects. Journal of Economic Geography, 15(1), 195-215.

Bron: Sociaal Planbureau Groningen.

Generaties lang achterstandsgebied

Al jaren voert Oost-Groningen lijstjes aan: armoede, werkloosheid en slechte gezondheid. Met zijn weerslag op kinderen. Bijna één op de zes krijgt jeugdhulp, blijkt uit CBS-cijfers. Geen verrassing dat de regio ook daarin bovenaan staat, zeggen drie betrokkenen.

Door Onno Havermans en Wilma van Meteren, 30 april 2016

Naar de friettent om jongeren hulp te bieden

Inge van Balkom, jeugdpsychiater bij Jonx, de jongerenafdeling van de organisatie voor geestelijke gezondheidszorg in Groningen, Friesland en Drenthe:

“Hoezo is dit nieuws? Dit is al generaties zo in Noordoost-Groningen. De omstandigheden waarin kinderen hier opgroeien zijn ongunstiger dan elders, dit is het grootste achterstandsgebied van Nederland. Mensen zijn gedesillusioneerd, hebben een houding van ‘we zijn ook niet voor meer geboren’.

“Vaak spelen er meerdere problemen in gezinnen. De ouders zijn laagopgeleid, werkloos, hebben schulden en soms een drankprobleem. Dat heeft effect op de opvoeding.

“Leren, spelen, een sociaal netwerk opbouwen waar je op kunt terugvallen, dat krijgen deze kinderen minder goed mee. Het worden hangjongeren die school mijden en het verslavingsgedrag van hun ouders overnemen. Nog een geluk dat ze hulp krijgen van jeugdzorg.

“Dat hoge percentage zou nog hoger moeten zijn. Daarom hebben we bij Jonx sinds kort een speciaal team Jeugd voor Oost-Groningen, waarin deskundigen met kennis van jeugdpsychiatrie, verslaving en licht-verstandelijke beperkingen samenwerken. We spreken jongeren aan op het schoolplein, in de friettent of gokhal.

“En we blijven terugkomen, als in het ouderwetse straathoekwerk.”

Bijna de hele vmbo-klas had een ‘rugzakje’

Tineke Slagter, voormalig Eerste-Kamerlid (SP), huisarts in Zuidhorn:

“Je wordt er mismoedig van. Duidelijk is dat een lage economische status een rol speelt. Mijn man was rector op een middelbare school in Delfzijl en gaf wekelijks les op het vmbo om voeling te houden met deze jongeren. Van de dertien leerlingen in de klas hadden er twaalf een ‘rugzakje’ om extra zorg voor ze te organiseren. Het is het verhaal van een dubbeltje dat niet zo makkelijk een kwartje wordt.

“Van 1987 tot 1991 was ik vertrouwensarts in Groningen-Drenthe. In Oost-Groningen komen veel problemen bij elkaar. Kreeg ik daarvandaan een melding over kindermishandeling, dan wist ik dat er vaak meer aan de hand was. Ouders die zelf als kind waren mishandeld, drank, armoede. Iets wat van generatie op generatie wordt overgedragen, laat zich moeilijk doorbreken.

“Er spelen soortgelijk problemen als in Amsterdamse wijken. Maar hier zijn het kleine gemeenschappen. Jeugdhulp laat zich er niet zo makkelijk organiseren als in een grote stad. Ouders kloppen niet aan bij een gemeenteloket.

“In de Eerste Kamer voorzagen we al dat bij de overheveling van de jeugdzorg veel geld en tijd ging zitten in overleg en samenwerking. En wil je de situatie voor de Oost-Groningse jeugd echt verbeteren, dan moet er werk komen en goed, passend onderwijs.”

Gezinnen die al drie generaties in de bijstand zitten

Jaap Velema, wethouder (D66) in Veendam, verantwoordelijk voor onder meer jeugdhulp

“Dat veel kinderen en jongeren in Veendam hulp ontvangen wisten we al op basis van de historische cijfers. Het is een sociaal-economisch vraagstuk, een vraagstuk van de Veenkoloniën. Onze voorouders waren pioniers. Veen was het zwarte goud. Schepen werden hier gebouwd, tweehonderd bedrijfsschoorstenen rookten. Dat alles is weg. In die fase verkeren we. Het is hier prachtig wonen, maar er is weinig werk.

“De sociale werkvoorziening is de grootste werkgever hier. Dat dat wordt afgebouwd stemt mij niet rouwig. Een reguliere baan is beter. Er zijn kwetsbare gezinnen die al drie generaties van de bijstand leven. Wat voor perspectief biedt dat aan kinderen? Ook is het aantal licht-verstandelijk gehandicapten hier drie keer zo hoog is als het landelijk gemiddelde. Het vraagt tijd en aandacht om hen goed te ondersteunen.

“Het Pekela Centra voor Jeugd en Gezin is opgezet om laagdrempelige hulp te bieden, bijvoorbeeld bij opvoeding. De wijkteams zijn in de opbouwfase. We zijn er nog niet. En er komen moeilijke tijden aan. Onze budgetten voor jeugdhulp zullen fors verminderen. Dus moeten we selectiever zijn, en inzetten op preventie en een ander zorgaanbod. Zodat jongeren goede en misschien zelfs betere hulp krijgen, en hun omgeving ook.”

Bron: Trouw.

31 augustus 2017

“Je zou denken dat kinderen die in armoede opgroeien er later alles aan zullen doen om het zelf beter te hebben dan hun ouders. En dat de Nederlandse samenleving hen daar ook alle mogelijkheden toe biedt. Maar de schrijnende realiteit blijkt anders: kinderen die opgroeien in een gezin met financiële problemen, kampen later vaak zelf ook met geldgebrek en schulden. Hoe kan dat nou? Marloes geeft in het artikel hieronder een aantal verklaringen, en ik kijk nu al uit naar haar volgende artikel over hoe deze cirkel te doorbreken.”Ilja van Dam
Redactiechef & eindredacteur
Je leest: 

Eeuwig in de schuld

Eeuwig in de schuld. Waarom in sommige families geldgebrek nooit over gaat

Door Marloes van Amerom, 10 augustus 2017

Kinderen die opgroeien in een gezin met schulden, kampen later vaak zelf ook met geldgebrek. En dat terwijl ze zich vaak voornamen het heel anders te doen dan hun ouders. Hoe kan dat?

Versleten kleren dragen. Nooit een hip kapsel, omdat de kapper teveel kost. En niet trakteren op school als je jarig was, want daar was domweg geen geld voor. De jeugd van Erika Jansen stond in het teken van de schulden van haar ouders, waardoor ze weinig geld voor haar en haar vier zusjes hadden.

Hoe kan het dat in sommige families geldgebrek nooit over gaat? Pixabay, Adriano Gadini via CC0

Erika besloot het allemaal heel anders aan te pakken als ze groot was. Maar nu ze zelf volwassen is, zit ook zij op zwart zaad. Haar schuld bedraagt inmiddels meer dan veertigduizend euro. Haar schuldencoach raadt haar aan om in de schuldsanering te gaan, maar dan ontvangt ze slechts zo’n vijfenzeventig euro per week en kunnen zij en haar twee kinderen daar wel van leven?

Hoe vervelend de ervaring van Erika ook is, haar situatie is bepaald niet uniek. Bij schulden herhaalt de geschiedenis zich namelijk nogal eens.

Onderzoek

Politicoloog en onderzoeksjournalist Mirjam Pool illustreerde dat in haar boek Alle dagen schuld over gezinnen in Kerkelanden, een arme wijk in Almelo. Ook Jurenne Hooi, directeur van stichting voor maatschappelijke dienstverlening in Amsterdam Zuid Oost en Diemen, herkent dit probleem. “Al zijn we zes generaties verder, het lost niet op”, vertelde ze aan een blogster van de werkgroep Caraïbische Letteren van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde over de schulden en andere problemen van haar (Antilliaanse) cliënten. Hoe kan dat? Nederland is tenslotte een relatief rijk en welvarend land.

Die vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden. Onderzoek naar transgenerationele schuldenproblematiek in westerse landen staat nog in de kinderschoenen. “We weten het nog niet heel precies”, zegt Nadja Jungman, lector Schulden en Incasso bij Hogeschool Utrecht. “Er is in elk geval niet één, allesbepalende factor.” Wel is er steeds meer bekend over de overdraagbaarheid van armoede binnen families. Samen met de journalistieke portretten van families die al decennialang met schulden kampen, maakt dat een inkijkje in omstandigheden die een rol spelen mogelijk.

Slecht voorbeeld

Zo speelt het gemis van een goed voorbeeld kinderen uit gezinnen met schulden soms parten. “Als je ouders op te grote voet leven of door financiële tegenslag het ene gat met het andere moeten vullen, leer je niet hoe het wél moet”, verwoordt Roeland van Geuns, Lector Armoede Interventies aan de Hogeschool van Amsterdam, die visie.

Die tendens wordt bevestigd door een poll onder zo’n 1500 kinderen en hun ouders die sociologen van de Radboud Universiteit in 2008 hielden. Als ouders weinig of niet spaarden en het geld snel spendeerden, deden hun kinderen dat meestal ook. Naarmate de kinderen ouder waren, werd die neiging sterker.

Door alle energie die geldzorgen opslurpen, kun je minder proactief worden, ook naar je kinderen toe. Flickr.xom/Reese Baker via CC BY 2.0

Maar ook op andere manieren imiteren kinderen hun ouders. “Als je langdurig geldgebrek hebt, wordt schulden hebben soms onderdeel van je identiteit. Ook leg je dan gemakkelijk, vaak vanuit een psychologisch overlevingsmechanisme, de schuld voor het geldgebrek buiten jezelf.” Kinderen pikken een dergelijke houding gemakkelijk op.

Cijfers

Hoeveel families chronisch in de schulden zitten is niet bekend. Wel is het dus zo dat multiprobleemgezinnen doorgaans ook schulden hebben. Dat mechanisme is zo sterk dat de de definities die gemeenten en hulpverleners gebruiken om multiprobleemgezinnen te duiden vaak het element ‘financiële problemen’ omvat. Er zijn naar schatting zo’n 70.000 multiprobleemgezinnen in Nederland. Hoeveel families er daarnaast zijn die behalve chronisch geldgebrek verder geen grote problematiek hebben is niet bekend.

Toch verklaart een gebrekkige financiële opvoeding niet alles. Het Nijmeegse onderzoek liet namelijk ook zien dat andere factoren, zoals het gedrag van vrienden, het bestedingspatroon van kinderen veel meer bepaalden. Daarbij kent Nederland een relatief hoge sociale mobiliteit. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2011 bleek dat 93 procent van de kinderen uit arme gezinnen de armoede als volwassene wist te ontstijgen. In families waarin meerdere generaties op zwart zaad zitten is er dan ook vaak meer aan de hand.

Sociale kwetsbaarheid

Moeilijke omstandigheden thuis, bijvoorbeeld. Hardnekkige schuldenproblematiek in families komt zelden alleen. “Vaak spelen er andere zaken, zoals een of meer ouders met een verstandelijke beperking of mentale problemen, werkloosheid, verslavingen of mishandeling”, zegt van Geuns. Jeanet Zonneveld, die als expert Integrale Aanpak wijkteams en beleidsmakers adviseert hoe ze mensen met hardnekkige sociaal-economische problemen kunnen helpen, herkent dit partroon. “Zeker als er meerdere issues spelen in een familie is de kans op transgenerationele schuldenproblematiek groot, bijna honderd procent.”

Als je opgroeit in een gezin met een veelvoud aan economisch-sociale problemen heeft dat z’n weerslag. Zo hebben kinderen van ouders met mentale problemen zelf ook een vergrote kans daarop en komen ongeplande tienerzwangerschappen in sociaal kwetsbare families meer voor. Een moeilijke sociaal-economische situatie thuis, creëert daarmee een eigen dynamiek, die ervoor zorgt dat de kinderen als ze volwassen zijn een vergrote kans hebben zelf ook weer in armoede te belanden. Hoewel schulden in elke laag van de samenleving voorkomen, zijn juist mensen met een laag inkomen er kwetsbaar voor.

Kinderen uit achterstandsgezinnen hebben het niet alleen moeilijker als het op leren aankomt. Ze voelen zich vaak ook anders of schamen zich voor hun armoede. Dat maakt het lastiger aansluiting bij klasgenoten uit andere milieus te vinden, waardoor ze weer minder gemakkelijk hun wereldje uit stappen – en blootgesteld worden aan nieuwe impulsen. Szoki Adams, Flickr.com, via CC BY-NC-ND 2.0

Maar ook de chronische stress die torenhoge schulden en andere problemen met zich meebrengen eist zijn tol. “Als je als ouder het ene brandje na het andere moet blussen, put dat je geestelijk uit. Zozeer dat je nog maar weinig bezig bent met de toekomst, inclusief die van je kinderen”, zegt van Geuns.

Zo is leren belangrijk voor de zelfontwikkeling van een kind en een gezond economisch perspectief, later. “Maar voor voorlezen en andere zaken die kinderen intellectueel of taalkundig stimuleren is er vaak geen tijd, geld of aandacht,” vertelt van Geuns. Als de ouder in kwestie daar überhaupt al aan gedacht had. In veel multiprobleemgezinnen zijn de ouders laagopgeleid en krijgen ze van huis uit niet altijd mee dat een dergelijke stimulans belangrijk is.

“Als er verder niet ingegrepen wordt, dan arriveren deze kinderen doorgaans met een achterstand op school,” vertelt van Geuns. “Die ze vervolgens moeilijk in kunnen halen.”

Natuurlijke neiging

Maar eigenlijk ligt het probleem van die achterstand dieper. “Bij veel kinderen uit probleemgezinnen zijn de controlefuncties van onze hersenen, ook wel executieve functies genoemd, doorgaans minder goed ontwikkeld. Dat begint vaak al in de peutertijd. Hierdoor reageren ze impulsiever en vinden ze het lastig om voorruit te denken en te plannen. Wat weer onverantwoord financieel gedrag in de hand werkt,” vertelt van Geuns.

De executieve functies van onze hersenen helpen ons onder meer na te denken voor we iets doen, doelgericht te zijn en te voorkomen dat opduikende emoties als boosheid tot onbezonnen gedrag leiden. Flickr.com, Laura Dahl via CC BY-NC 2.0

Hoe groot de invloed van beperkte executieve functies is, liet een grootschalig onderzoek in Nieuw-Zeeland zien, waarbij onderzoekers meer dan duizend mensen sinds hun babytijd volgden. Kinderen die opgroeiden in een omgeving met veel armoede en sociale problemen bleken al als driejarige niet alleen vaker een lager IQ, maar ook een slechtere mate van zelfbeheersing, een lagere frustratietolerantie en minder doorzettingsvermogen te hebben. Dat bleek weer een slecht voorteken voor hun maatschappelijke kansen. Zo was een groot deel van deze achterstandskinderen net als hun ouders afhankelijk van een uitkering, belandde sneller in de criminaliteit of had andere sociaal-economische problemen.

De weerbarstige omgeving waarin ze opgroeiden belemmerde hen ook op een andere manier. Hún impulsieve aanleg versterkte zich in de loop van de tijd. Peuters uit meer gegoede milieus met dezelfde persoonlijkheidskenmerken, vertoonden daarentegen op latere leeftijd doorgaans meer beheerst gedrag, daarin vaak gestimuleerd en begeleid door hun ouders.

Rebelcultuur

Maar er lijkt nog wat anders mee te spelen dan verminderde executieve functies. In wijken waar veel families wonen met schulden, heerst er soms een andere moraal dan bij de gemiddelde ‘brave burger’. Zo deden de Britse realityshows Benefit Street en Skint, die inzoomen op het leven van bewoners in beruchte achterstandswijken, nogal wat stof opwaaien. Veel bewoners bleken namelijk, zacht gezegd, niet erg op zoek naar een baan. Wel verdienden ze regelmatig wat bij door illegaal bij te klussen of zelfs te stelen. De ‘gewone’ maatschappij stond vaak ver van ze af, soms ook door verslavingen en andere sociale problemen. Aan leren, laat staan doorleren, werd weinig belang gehecht.

Ook in Nederland bevorderen afwijkende normen en waarden soms een ‘overerfelijkheid’ van schuldenproblematiek. Zo meenden sommige vaders van de worstelende gezinnen die Pool in Almelo volgde, dat ze, net als hun ouders eerder, simpelweg recht hadden op een uitkering. Sterker nog, die houding was een belangrijke reden voor hun schulden. Omdat ze aangeboden werk weigerden, werden ze gekort op hun uitkering, waarna ze niet meer konden rondkomen. Mannen die wel gingen werken, werden in de wijk als zwakkelingen gezien.

Als je opgroeit in een dergelijke cultuur verkleint dat de kans dat je later, in tegenstelling tot je ouders, schuldenvrij leeft, zegt Zonneveld. “Van ouders en buren krijg je immers het voorbeeld dat bijstand en schulden normaal zijn. En je wordt niet aangemoedigd om een opleiding te doen en te gaan werken,” zegt Zonneveld.

Volgens sociologen komt de deviante houding die je in sommige probleemwijken kunt vinden voort uit de sociale uitsluiting en armoede die bewoners ervaren. Maar het houdt hun armoede óók in stand. Darren Johnson /iDJ Photography Follow/Flickr.com via CC BY-NC-ND 2.0

Stef Bosman, leerkracht op een school voor moeilijk lerende kinderen in een volkswijk in het oosten van Nederland herkent dit patroon. “De weinige kinderen uit de wijk die het VWO bezoeken zijn buitenbeentjes. Hun ouders vinden het vaak maar een beetje gênant en de buurtkinderen pesten hen soms.”

Het is belangrijk meer te weten over de oorzaken transgenerationele schuldenproblematiek, maar wat zijn mogelijke oplossingen? Lees daarover meer in het tweede deel van dit tweeluik over transgenerationele schuldenproblematiek.

Uit privacy overwegingen zijn de namen Erika Jansen en Stef Bosman gefingeerd. Hun namen zijn bij de redactie bekend.

Bronnen

Bron:NEMO Kennislink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.