Scherp.

Scherp. slim en uit het leven gegrepen, Kees Vuyk’s ‘Oude en nieuwe ongelijkheid’. Zo gewoon als het nog in de jaren zeventig was dat een dokter trouwde met een verpleegster, zo bijzonder is dat nu. Het naoorlogse onderwijs heeft ervoor gezorgd dat een derde van de bevolking verhuisde van de onderkant van de samenleving naar de gegoede middenklasse. Wat er vervolgens gebeurde, sinds de jaren zeventig, was dat die hoger opgeleiden steeds meer met elkaar zijn gaan trouwen. Aan de onderkant van de samenleving worden steeds minder kinderen geboren met een meer dan gemiddelde intelligentie. Wie dat wel heeft ‘promoveert’ alsnog via het onderwijs omhoog, ook in de partnerkeuze. De kloof wordt breder en breder, en hopelozer, maar we zitten er allemaal middenin zonder een Münchhausen in ons midden die helpt ons hieraan te ontworstelen.

Hoe de gewone man de gewone man is gebleven

Door Carel Peeters, 14 november 2017.

Sociale mobiliteit heeft ervoor gezorgd dat uit de lagere klasse de intelligente kinderen verdwenen. Nu zitten we met een akelige kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, volgens filosoof Kees Vuyk.

Wanneer Jos Palm in zijn geschiedenis van De gewone man is aangekomen bij de tweede helft van de twintigste eeuw wordt zijn stijl nog bloemrijker en energieker. Hij gaat gelijk op met de transformatie die de gewone man na de oorlog in korte tijd ondergaat: van sappelaar in corduroy-broek tot de man in een confectiepak. Het ‘eeuwenlange vernachelde leven’ van de ‘brood-, pap- en spruitjesmensen’ werd eindelijk een beetje op waarde geschat. De gewone man werd in de jaren van wederopbouw een ‘gezeten armoedzaaier’ die zich ‘een leuk mantelpakje’ voor zijn vrouw kon permitteren.

Dat op waarde schatten van de gewone man is aan verandering onderhevig, zo blijkt uit Oude en nieuwe ongelijkheid van Kees Vuyk, zijn boek ‘Over het failliet van het verheffingsideaal.’ Het vooral sociaal-democratische streven naar waardering en verheffing van de gewone man werd in de jaren vijftig en zestig uitgedrukt in respect voor arbeid en vakmanschap, in beter onderwijs, gezondheidszorg en het ontstaan van de AOW. Een politiek van gelijke kansen zorgde ervoor dat de kinderen van de gewone man konden doorleren. Dit mondde uit in wat Vuyk ‘de glorieuze jaren zeventig tot negentig’ noemt, de jaren van de meritocratie waarin alles draaide om waardering voor de verdiensten waarmee men zich van zijn talenten wist te bedienen. Wie zijn best deed werd daarvoor terecht beloond en steeg op de sociale ladder. De meritocratie bracht de sociale mobiliteit op gang.

Door te bevorderen dat kinderen uit de lagere klasse van de samenleving naar de middelbare school gingen en daarna naar de universiteit of hoge school, belandden die kinderen na het afstuderen vanzelf in een andere klasse van de samenleving. Hun ouders bleven waar ze waren. 

De onderkant van de samenleving werd hiermee van zijn intelligente kinderen ontdaan: er had een brain-drain plaats. De onderkant bleef zonder intelligentie achter. De prestatiemaatschappij waarin dit plaatshad maakte het bovendien voor de hand liggend dat er binnen de eigen kring getrouwd ging worden. Bij het ‘achterblijvende deel’ van de samenleving leidde de exodus van het intellectueel getalenteerde deel tot, wat Vuyk met harde hand noemt, ‘verplatting’. Aan de onderkant werden steeds minder kinderen geboren met een meer dan gemiddelde intelligentie. Wat betreft intelligentie werd die groep steeds homogener. De onderkant van de samenleving werd een monocultuur, terwijl de rest van de maatschappij steeds multicultureler aan het worden was. Er is een kloof ontstaan tussen hoog- en laagopgeleiden. Vuyk heeft het zelfs over een ‘segregatie’, een nieuwe apartheid.

Daarmee is de dynamiek uit de onderkant en de bovenkant van de samenleving verdwenen: ze zijn allebei bijna ongemerkt in zichzelf gekeerde gesloten gemeenschappen geworden. Er worden ‘dates’ voor hoger opgeleiden georganiseerd. Er zijn speciale verzekeringen voor hoger opgeleiden. Ook aan de bovenkant is de verplatting aan de gang: ‘Ook hier is men tegenwoordig heel erg onder elkaar.’ ‘Als gevolg daarvan’, schrijft Vuyk, ‘ is de bron van vitaliteit opgedroogd die onze samenleving de afgelopen halve eeuw zo creatief en dynamisch maakte. Zonder vermenging van culturen en de bijbehorende wrijvingen verdwijnt de vitaliteit en bloedt de samenleving langzaam dood.’ Verplatting is de keerzijde van verheffing.

In de ontstane kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, de onderkant en de bovenkant, heeft zich het populisme kunnen nestelen. In de door meritocratie getekende samenleving heeft zich aan de onderkant een groep gevormd die zich ontheemd voelt, schrijft Vuyk. ‘Zij vinden het moeilijk de complexe dynamiek van deze samenleving te volgen en zij missen mensen om zich heen die hen daarbij kunnen helpen. Zij zoeken steun bij leiders, die althans de schijn bieden dat zij hun zorgen begrijpen.’ Veel mensen aan de onderkant voelen zich aangetrokken tot leiders die grossieren in botte uitspraken en radicale oplossingen. De kloof zorgt ook voor een verkramping: afkeer van de kosmopolitische elite, terugtrekken op ‘het eigene’, tot en met ‘eigen volk eerst.’

Veel mensen aan de onderkant voelen zich aangetrokken tot leiders die grossieren in botte uitspraken en radicale oplossingen.

Kennis van de geschiedenis van de gewone man brengt Jos Palm tot de overtuiging dat de verloren eer van de gewone man hersteld moet worden. De prestatiemaatschappij heeft de verzorgingsstaat verdrongen die speciaal oog had voor de problemen van de gewone man. Het neoliberalisme heeft voor een onverantwoorde flexibilisering van de arbeid gezorgd en daarmee voor bestaansonzekerheid. De gewone man kan daaraan geen eer en zelfvertrouwen ontlenen. Een bijeffect van de meritocratie is dat zij gevoelens van minderwaardigheid en schuld bevordert: het idee het in een samenleving met zoveel kansen niet gemaakt te hebben.

Kees Vuyk denkt dat we afstevenen op ‘de terugkeer van een samenleving met aristocratische trekken.’ Zijn vergaande en doortastende analyse van de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden beantwoordt aan de grotere kloof die eerder door Thomas Piketty werd gesignaleerd tussen de superrijken en de doorsnee burger. Dat leidt bij allebei tot de conclusie dat de ‘sociale cohesie’, die voorkomt dat de samenleving uiteenvalt in elkaar wantrouwende groepen (als het niet erger is), langzaam een utopische gedachte wordt.

Oude en nieuwe ongelijkheid. Over het failliet van het verheffingsideaal door Kees Vuyk is uitgegeven door Klement.

De gewone man. Een kleine mensheidsgeschiedenis door Jos Palm is uitgegeven door Atlas Contact.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.