Hoe de schandpaal van het dorpsplein vervangen werd door die van het internet

‘Slachtofferschap en lijden vormen een comfortabel zelfbeeld. Van daaruit kan je op van alles aanspraak maken, en de vermeende daders – “de politici”, “het systeem”, “het kapitalisme” – verketteren. Dan verdampen niet alleen je individuele autonomie en je zelfbeschikking, maar ook een gezonde robuustheid waarmee je tegenslagen kunt overwinnen. We moeten proberen reëel te zijn en ons niet permanent door alles gekrenkt en vernederd te voelen. Tegelijkertijd moeten we zien te vermijden wat respectloos en tactloos overkomt, niet alleen in het academische en maatschappelijke debat, maar ook en vooral in de politiek. Zonder kwaadaardige en kleinerende uitspraken over anderen is het samenleven een stuk aangenamer.’

Door: Thijs Broer, 2 april 2019

In december 2010 overgoot de straatarme Tunesische groentehandelaar Mohamed Bouazzi zijn lijf met benzine en stak hij zichzelf in brand. Zijn wanhoopsdaad was een protest tegen de aanhoudende vernederingen door de politie, die meermalen zijn handel in beslag had genomen en hem in het gezicht had geslagen.

Het tragische voorval was de aanleiding voor massale rellen, die op hun beurt leidden tot de Arabische Lente: de volksopstand in Noord-Afrikaanse landen tegen de onderdrukking door autocratische regimes. Vernedering, noteerde New York Times-columnist Thomas Friedman, is een van de meest onderschatte politieke krachten.

Voor de Duitse historica Ute Frevert vormde de zelfverbranding van Mohamed Bouazzi de opmaat van haar boek Die Politik der Demütigung (de politiek van de vernedering) waarin zij de geschiedenis van de vernedering in de afgelopen paar eeuwen beschrijft: van de schandpaal in de achttiende en negentiende eeuw tot het kaalscheren van ‘moffenhoeren’ na de oorlog, van vernedering als instrument in de internationale politiek tot het kleineren van mensen via de sociale media.

In de loop van de negentiende eeuw werden openbare lijfstraffen uit naam van de menselijke waardigheid in westerse landen afgeschaft, maar Ute Frevert laat zien dat vernedering alomtegenwoordig bleef in het maatschappelijk verkeer, het strafrecht en de politiek. In de sociale media neemt publieke vernedering in de afgelopen jaren zelfs een hoge vlucht: steeds vaker duiken verhalen op over wanhopige pubers die vernederd worden in chatgroepen, op Facebook of op Instagram. Een typerend voorbeeld: de Amerikaanse vader die voor de camera de haren van zijn dochter afknipte om haar te straffen voor het plaatsen van selfies en de beelden vervolgens online zette. Het filmpje ging viraal, waarna het meisje zelfmoord pleegde.

‘Sociale media bieden een publiek forum voor narcisme en laten de grenzen tussen het privéleven en de openbaarheid vervagen.’

Vernedering, stelt Frevert, is geen verschijnsel uit een barbaars verleden, maar een machtsmiddel dat ook in de westerse samenlevingen telkens in nieuwe gedaanten opduikt.

MACHT EN ONZEKERHEID

Ute Frevert (1954) geldt als een van de meest toonaangevende Duitse historici. Ze doceerde onder meer aan Yale University en is verbonden aan het Max-Planck-Institut für Bildungsforschung in Berlijn. In februari hield ze bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in Den Haag een lezing over emoties in de politiek. Haar boek Die Politik der Demütigung. Schauplätze von Macht und Ohnmacht wordt volgend jaar bij Oxford University Press in Engelse vertaling uitgebracht.

‘Vroeger waren er vaak ook geen ouders of leraren bij als kinderen op het schoolplein of op straat gepest werden, maar kinderen konden zich dan tenminste meteen teweerstellen of weglopen. Nu zijn ze veel weerlozer, ook door de enorme reikwijdte van het internet. Juist die reikwijdte en het gevoel van macht leiden ertoe dat de daders slachtoffers uitkiezen om te vernederen. Vaak gebeurt dat uit onzekerheid: macht en onzekerheid hangen samen. Ouders die hun kinderen voortdurend bevestigen in hun sense of entitlement, alsof ze overal recht op hebben, kweken egoïsten en narcisten. Dat is vooral te zien in de middenklasse, die last heeft van voortdurende statusangst. Hier is een ellebogenmentaliteit aan het werk, niet alleen bij jongeren, maar ook bij volwassenen, met vernedering van anderen tot gevolg.’Vernederingen door de overheid worden sinds een paar decennia niet meer geaccepteerd door de samenleving, maar op sociale media grijpt vernederend gedrag juist om zich heen. Hoe verklaart u dat?
‘Voor de schandpaal op het dorpsplein is de schandpaal op internet in de plaats gekomen. Het verschil is alleen dat de schandpaal bedoeld was als verdiende straf en als afschrikking, op het internet is vernedering vaak een doel op zichzelf. De sociale media bieden een publiek forum voor narcisme en laten de grenzen tussen het privéleven en de openbaarheid vervagen. Ze maken de gebruikers extreem zichtbaar en machtig, maar tegelijkertijd extreem kwetsbaar en machteloos. Vooral opgroeiende kinderen en pubers, die hun zelfbeeld nog moeten vormen, zijn daar gevoelig voor. Bovendien bemoeilijken sociale media de wederkerigheid.’

‘Voor de schandpaal op het dorpsplein is de schandpaal op internet in de plaats gekomen.’

Waar komt de hardnekkige behoefte om anderen te vernederen vandaan?
‘Het vernederen van anderen bevestigt de eigen sociale status. Zulke voorvallen vinden in de hele samenleving plaats, op alle niveaus. De rol van het publiek is daarbij niet te onderschatten. Wie getuige is van de publieke vernedering van een ander, is blij dat het hem- of haarzelf niet overkomt. Het is een paradoxaal gegeven. We zijn er de afgelopen decennia aan gewend geraakt dat onze waardigheid door anderen gerespecteerd moet worden. Dat is een belangrijke verworvenheid. Maar tegelijkertijd vertonen we de neiging anderen juist met mínder respect te bejegenen.’

‘Het verkeer is daar een goed voorbeeld van: veel mensen reageren al snel met frustratie en woede als ze zich door anderen gehinderd voelen. Dat heeft ook te maken met wat het “neoliberale zelf” wordt genoemd: zelfontplooiing is in deze tijd zo belangrijk geworden, dat veel mensen het gevoel hebben dat ze continu moeten vechten voor hun plek onder de zon. Daardoor kunnen ze uit angst voor het verlies van sociale status steeds minder van anderen verdragen.’

In de westerse samenlevingen wordt de omgang met sociale status ook op scherp gezet door immigranten uit andere culturen. Enige jaren geleden stelde PvdA-voorzitter Hans Spekman in Vrij Nederland dat boetes en celstraf niet werken bij Marokkaanse probleemjongeren: daardoor zou hun status in hun eigen groep alleen maar worden vergroot. Hij zei: ‘De Marokkanen die niet willen deugen, moet je vernederen voor de ogen van hun eigen mensen.’ Spekman kreeg enorme kritiek op zijn woordgebruik, maar had hij ook een punt?
‘Voor zulke methoden wordt in de wetenschappelijke literatuur het begrip reintegrative shaming gebruikt, een term die gemunt is door de Australische criminoloog John Braithwaite. Schaamte moet leiden tot sociale reïntegratie. In sommige Amerikaanse staten worden zulke straffen nog steeds ingezet, bijvoorbeeld voor verkeersovertreders die in hun eigen buurt op straat moeten staan met een bord waarop hun overtreding wordt gemeld. De gedachte is dat schaamte disciplinerend werkt, ook voor anderen.’

‘Ook onder Duitse criminologen is uitvoerig over de ideeën van Braithwaite gesproken. Een doorslaggevend argument daartegen is de brede maatschappelijke consensus dat de overheid haar burgers niet publiekelijk moet vernederen. Bovendien zijn de gevolgen niet te overzien als de overheid daar weer aan zou beginnen. Wat is dan de grens? Ik vraag me ook af of zulke taakstraffen in de eigen buurt, zoals Spekman voorstelt, wel zouden werken in migrantenwijken. Mijn hypothese is dat het veel effectiever is als wangedrag van zulke jongeren wordt veroordeeld door imams of anderen met gezag binnen de eigen gemeenschap.’

Ute Frevert
Ute Frevert: ‘Het vernederen van anderen bevestigt je eigen sociale status.’

U stelt in uw boek dat in westerse samenlevingen inmiddels een overgevoeligheid voor vernedering is ontstaan. Waar ziet u dat aan?
‘De maatschappelijke opvattingen over wat vernederend is, veranderen voortdurend. In Duitsland krijgen mensen met een uitkering die zich niet aan de regels houden een deel van hun uitkering tegenwoordig in de vorm van bonnen voor levensmiddelen. Veel mensen vinden dat extreem vernederend, omdat iedereen aan de kassa dan kan zien dat ze een uitkering hebben. Terwijl die maatregel helemaal niet zo bedoeld is. De argumenten in de discussie zijn precies dezelfde als in de negentiende eeuw over de afschaffing van de schandpaal: de noodzaak om te disciplineren tegenover het beroep op de menselijke waardigheid. De gevoeligheid over wat als vernedering kan worden ervaren, is enorm gegroeid. Op zichzelf is dat waardevol, maar het kan ook tot overgevoeligheid leiden. Laatst was ik bijvoorbeeld bij een bijeenkomst van psychotherapeuten, waar een van de aanwezigen stelde dat het minimumloon vernederend is: het zou veel hoger moeten zijn. Daar wordt door anderen heel anders over gedacht.’

‘Slachtofferschap en lijden vormen een comfortabel zelfbeeld. Van daaruit kan je op van alles aanspraak maken.’

Aan Amerikaanse universiteiten worden steeds vaker sprekers geweerd die kwetsend zouden zijn voor minderheden. Als bijvoorbeeld transgenders niet met precies de goede woorden worden aangesproken, wordt dat als vernederend en zelfs mensonterend ervaren. De universiteiten zouden safe spaces moeten worden. Dat fenomeen waait nu ook over naar Europese universiteiten. Wat vindt u daarvan?
‘Die tendens is niet alleen aan de universiteiten te zien. Een belangrijke stem in Frankrijk tegen de regering van Macron is bijvoorbeeld de jonge Franse schrijver Edouard Louis, die internationaal doorbrak met een roman over zijn nare jeugd in een Franse arbeiderswijk en zijn alcoholistische vader. Louis zei laatst in een interview in een Zwitserse krant: “Met mijn boeken wil ik manieren vinden om te zeggen: ik lijd.” Zelf lijdt hij onder zijn dominante, alcoholistische vader, en zijn vader op zijn beurt is slachtoffer van zijn lage opleiding en lijdt onder de maatschappelijke verhoudingen.

‘Slachtofferschap en lijden vormen een comfortabel zelfbeeld. Van daaruit kan je op van alles aanspraak maken, en de vermeende daders – “de politici”, “het systeem”, “het kapitalisme” – verketteren. Dan verdampen niet alleen je individuele autonomie en je zelfbeschikking, maar ook een gezonde robuustheid waarmee je tegenslagen kunt overwinnen. We moeten proberen reëel te zijn en ons niet permanent door alles gekrenkt en vernederd te voelen. Tegelijkertijd moeten we zien te vermijden wat respectloos en tactloos overkomt, niet alleen in het academische en maatschappelijke debat, maar ook en vooral in de politiek. Zonder kwaadaardige en kleinerende uitspraken over anderen is het samenleven een stuk aangenamer.’

U stelt in uw boek dat het gevoel van vernedering ook wordt gemobiliseerd en als politiek wapen ingezet door rechtse populisten. Hoe ziet u dat in Duitsland gebeuren?
‘De rechts-populistische partijen versterken onder hun aanhangers moedwillig het gevoel door de elite geminacht en vernederd te worden, om vervolgens nog harder tegen de oude politieke partijen, de Lügenpresse en immigranten van leer te trekken. In principe is het een oud ressentiment, dat al aan het eind van negentiende eeuw door Friedrich Nietzsche als “Slavenmoraal” beschreven is. De nieuwe rechtse partijen zijn daar een nieuwe uitdrukking van. De populisten hameren erop dat gewone mensen worden vernederd door “de elite”, ook als dat gevoel van vernedering in werkelijkheid niet of nauwelijks bestaat.’

‘Het Oosten voelt zich vernederd door het Westen, en maakt het zich gemakkelijk in zijn slachtofferrol.’

Nieuwe rechts-populistische partijen als Alternative für Deutschland hebben vooral grote aanhang in de voormalige DDR, waar vrijwel de hele economie na de val van de Muur door West-Duits kapitaal is overgenomen. Dat gevoel van vernedering is toch ook reëel?
‘De tegenstelling tussen Oost- en West-Duitsland leeft de laatste jaren weer op, met de vernedering door de West-Duitse elite als argument. Op zichzelf is het niet onbegrijpelijk, maar wie zichzelf stelselmatig ziet als slachtoffer van minachting en vernedering, kan daarin al snel een rechtvaardiging zien om anderen te vernederen. Het Oosten voelt zich vernederd door het Westen, en maakt het zich gemakkelijk in zijn slachtofferrol. Ook hier zijn populisten aan het werk, aan de rechterkant én de linkerkant van het spectrum, die de wereld indelen in zwart en wit.’

Een paar jaar geleden interviewde Vrij Nederland Alexander Gauland, de huidige leider van Alternative für Deutschland. Hij vertelde over zijn vader die in de Eerste Wereldoorlog als officier zijn manschappen veilig wist terug te brengen van het Westelijk Front. Volgens Gauland stond dat in een grote traditie, maar mag dat in Duitsland niet meer gezegd worden omdat de hele blik op de geschiedenis wordt bepaald door de ellendige twaalf jaar van de nazitijd.
‘De militaire traditie van Duitsland zoals die voor 1945 bestond, speelt in het publieke debat in de Bondsrepubliek geen rol meer, op goede gronden. Ik zie ook geen enkele reden waarom we trots zouden moeten zijn op de Wehrmacht tijdens het Derde Rijk, zoals Gauland laatst nog heeft bepleit. Alle officieren hebben indertijd trouw gezworen aan Adolf Hitler, alleen een kleine minderheid heeft zich tegen de vernietigingsoorlog in het Oosten en de moord op de joden in Europa verzet. En de paar officieren die zich wél teweer hebben gesteld, werden ook na 1945 nog door veel van hun mede-militairen als verraders beschouwd.’

Gauland vertelde ook dat hij zich als lid van de Berliner Kreis in de CDU sterk had gemaakt voor een conservatieve koers, maar dat daar door Angela Merkel en haar adviseurs met totale minachting op was gereageerd omdat de kiezers toch wel op de CDU zouden blijven stemmen. Vanwege die vernedering is hij uit de CDU gestapt en heeft hij de AfD opgericht.
‘Dat kan zijn. Gauland is een uitgesproken narcist, en narcisten voelen zich altijd gekrenkt en afgewezen.’

De Vlaamse politicoloog Jonathan Holslag stelde laatst in Vrij Nederland dat vernedering een grote ontwrichtende kracht is in de wereldpolitiek. De liberale wereldorde, die geacht werd vrede en welvaart te brengen aan de hele wereld, is in landen als China, India en grote delen van het Midden-Oosten en Afrika juist ervaren als arrogantie en uitbuiting door het Westen.
‘Het gevoel door het rijke Westen vernederd te worden, bestond al in de negentiende eeuw. In China wordt nog steeds gesproken over “De eeuw van de vernedering”, die begon met de Opiumoorlogen tegen de Britten en de Fransen halverwege de negentiende eeuw en eindigde met de machtsovername van Mao. Sindsdien is de buitenlandse politiek van China erop gericht dat nooit meer te laten gebeuren. Zelfbewuste landen als China, die zich beroepen op een geschiedenis van duizenden jaren, reageren heel gevoelig op wat ze als vernedering ervaren. Tegelijkertijd wordt dat argument als politiek wapen gebruikt door regimes om zichzelf te legitimeren. Bijvoorbeeld door Poetin, die het gevoel van vernedering gebruikt als argument voor een agressieve buitenlandse politiek.’

Intussen heeft de Amerikaanse president Donald Trump vernedering van zijn tegenstanders via Twitter tot zijn handelsmerk gemaakt.
‘Als presidentskandidaat heeft Trump al in verschillende speeches gezegd dat Barack Obama de nationale eer zou hebben verkwanseld door te buigen voor andere landen. Hij noemde Obama’s bezoek aan Hiroshima bijvoorbeeld pathetic. Hijzelf zou het anders doen. Zo begon hij zijn presidentschap ook, door Kim Jong-un verschillende malen persoonlijk te beledigen en Noord-Korea met de totale vernietiging te bedreigen. Het gevaarlijke is dat hij er nog succes mee lijkt te hebben ook, want vervolgens sloot hij vriendschap met de Noord-Koreaanse dictator. Daardoor vestigt zich bij zijn volgelingen het idee: zie je wel, mensen willen pas met je praten als je ze eerst kleineert.’

De Franse president Emmanuel Macron doet het tegenovergestelde: hij pleitte er bijvoorbeeld voor Afrikaanse kunstschatten terug te geven als verontschuldiging voor het koloniale verleden.
‘In het Franse maatschappelijke debat krijgt hij daar zware kritiek op, met hetzelfde argument waar Trump in Amerika aan appelleert: verontschuldiging voor het koloniale verleden zou een politiek van zelfvernedering zijn, een teken van machteloosheid en een aanval op de nationale eer. Dat sentiment is de laatste jaren in veel landen te zien, en heeft een lange historie. Gekrenkte nationale trots is vaak ingezet als politiek wapen, bijvoorbeeld in Frankrijk na het verlies van de Frans-Duitse oorlog in 1871 en in Duitsland na de vernedering van het Verdrag van Versailles. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog is Duitsland heel voorzichtig in de omgang met de nationale eer: die heeft tussen 1933 en 1945 bovenaan gestaan, en we weten wat daarvan gekomen is. Maar inmiddels lijkt de Duitse terughoudendheid een uitzondering op het internationale toneel. De afgelopen jaren spelen vernedering en zelfvernedering weer een centrale rol in het debat over de internationale politiek. In dat opzicht kunnen we spreken over de terugkeer van de geschiedenis.’

Ute Frevert, Die Politik der Demütigung. Schauplätze von Macht und Ohnmacht, S. Fischer, 336 p., € 25,–

Bron: Vrij Nederland

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: