Toeristen, dat zijn altijd de anderen

Nem jij die toerist met Bermudashirt en camera op de buik? Of die andere die daar waar hij is contact met de mensen cvan daar zoekt, authentiek, heel wat anders dan wat echte toeristen doen? Zoals die tweede zijn er velen. Ze zoeken liefst een bestemming waar nog geen toeristen komen maar zien niet met hoevelen ze precies datzelfde doen. Met allemaal datzelfde ‘privé’ doel: het verhaal dat je kunt vertellen als je thuis komt, over het echte, authentieke, niet verpeste stukje ………. waar je geweest bent. Heb je dat verhaal niet, dan ben je een buitenstaander gebleven. Dan ben je precies datgene wat je bent maar wat je ten koste van alles niet wilde zijn: een toerist.

Groeten uit Italië, waar Ilja Leonard Pfeijffer woont. En een wijze les: niet zo snobben, toerist! Je hoort gewoon bij de kudde barbaren. Gedraag je ernaar.

Door Ilja Leonard Pfeijffer

Toeristen, dat zijn altijd de anderen. Wij reizen. Wij kiezen onze bestemmingen met zorg uit op het ontbreken van toeristen en omdat die plaatsen niet bestaan en toeristen onmogelijk te vermijden zijn, laten we een groot deel van onze vakantie verpesten door onze ergernis aan hun gedrag. Wat ons precies van hen onderscheidt, is niet eens zo heel erg duidelijk, maar dat er een fundamenteel onderscheid tussen hen en ons bestaat, is voor ons een zekerheid die wezenlijk is en van existentieel belang en die raakt aan onze identiteit.

Zij dragen korte broeken en badslippers en wij niet. Of als wij dat ook doen, is dat omdat wij hebben begrepen dat de plaatselijke bevolking dat ook doet. Zij liggen aan het strand en hangen rond in cocktailbars, terwijl wij het plaatselijke kerkje bezichtigen en kiezen voor dat smoezelige barretje achter het benzinestation met die gammele rieten stoeltjes en smerige tafelkleedjes omdat daar alleen maar drie lokale gepensioneerde alcoholisten rondhangen. Wij zijn cultureel geïnteresseerd, terwijl zij uitsluitend komen voor de zon, de zee, drank en seks. En als alle toeristen opeens wel cultureel geïnteresseerd blijken en massaal in de rij gaan staan voor het Colosseum of de ruïnes van Delphi, dan passen wij onze voorkeuren aan en begrijpen wij terstond dat het echte Rome en het echte Griekenland niets met die circusattracties te maken hebben en dat je meer begrijpt van de echte cultuur als je in een dorp verderop, waar werkelijk niets bezienswaardigs is, op een verlaten pleintje gaat zitten.

WAT EEN KERMIS

Het is net zoals de beroemde Kretenzerparadox. Die luidt: ‘“Alle Kretenzers liegen,” zei een Kretenzer.’ De paradox is onoplosbaar omdat degene die uitspraken doet over de groep er eveneens deel van uitmaakt, waardoor de uitspraak ook geldt voor hemzelf, hetgeen de geldigheid van de uitspraak over de groep op losse schroeven zet. Precies zo zeggen wij, wanneer wij op reis zijn in het buitenland, dat alle toeristen vreselijk zijn.
En Kreta is ook al niet meer wat het geweest is. Wij waren nog in Hagios Nikolaos in de goede tijd, toen er nog niemand kwam en de ezeltjes nog in de bougainville pisten. De hele noordkust is tegenwoordig totaal verziekt door het toerisme. Daar kun je niet meer naar toe. Als wij naar Kreta gaan, gaan we naar de zuidkust. Maar niet naar de Samariakloof, want daar struikel je inmiddels over de stalletjes met koelkastmagneten. En de Minoïsche opgraving van Knossos, daar krijg je ons echt met geen stok naartoe. Wat een kermis. Wij gaan liever naar de opgraving van Phaistos, of Féstos, zoals de Grieken zeggen. Daar is bijna niets te zien, maar in elk geval komen daar nauwelijks toeristen. Maar de zuidkust begint langzamerhand ook ontdekt te worden, vrezen we. We overwegen om voortaan naar het binnenland te gaan. Daar heb je geen hotels, geen restaurants, geen bezienswaardigheden, geen stadjes en zelfs geen wegen. Heerlijk. Maar niet verder vertellen, hoor, want voor je het weet ziet het daar ook zwart van de toeristen.

OPGEWEKT GESPREKJE OVER DE MAFFIA

Omdat ik in Italië woon, bevind ik mij in een positie om het fenomeen ook van de andere kant te bezien. Er komen veel toeristen naar mijn stad. En als ik kijk met de ogen van de lokale bevolking, waartoe ik mij inmiddels ben gaan rekenen, valt het mij op dat diegenen die ten koste van alles willen vermijden om voor toeristen te worden aangezien, vaak veel onhandiger, vervelender en schadelijker zijn dan de volbloedtoeristen die het verzet tegen hun ware aard hebben opgegeven en zich met overgave uitdossen als de vreemdelingen die ze zijn. De zogenaamde kenners en Italofielen, die soms een aardig mondje Italiaans spreken, of dat althans denken, en die in de waan verkeren dat zij zich moeiteloos camoufleren als Italianen temidden van landgenoten, kunnen soms betweterig en arrogant overkomen en wekken ergernis met hun vermeende kennis van lokale gebruiken die helaas voor alle betrokkenen minder correct is dan ze denken.

Het gaat om kleine dingen. Zij vragen met een veelbetekenende glimlach een schoteltje, olijfolie en zout in het restaurant om de broodjes uit hun mandje lekker te kunnen dippen. Ze denken dat dat typisch Italiaans is en dat de uitbater hun connaisseurschap zal waarderen. Maar het is typisch Spaans. Zeker in Genua en de rest van Ligurië is het not done, omdat er meestal focaccia wordt gegeven waarin al olijfolie zit. En de uitbater beschouwt het als een grote ergernis en een kostenpost dat zijn dure extravergine met liters tegelijk uit borden wordt gesopt. De cheffin van het restaurant waar Simona werkt, heeft haar de opdracht gegeven om de olijfolie te verstoppen zodra er Italofielen binnenkomen.

Het is maar een voorbeeld. Een ander voorbeeld is dat de zogenaamde kenners, om te laten zien dat zij op de hoogte zijn, een opgewekt gesprekje beginnen over de maffia. Dan kunnen ze echt maar beter hopen dat hun Italiaans minder goed is dan ze denken, want het is een onderwerp dat kan leiden tot pijnlijk ongemak. In feite is het woord ‘maffia’ een taboe dat niet in een openbare gelegenheid wordt uitgesproken en zeker niet in het bijzijn van onbekenden. Er zijn synoniemen voor en verhullende eufemismen, maar zelfs die neem je alleen in de mond als je zeker weet dat je gesprekspartner je op de juiste manier begrijpt.

EFFICIËNT ZAKEN DOEN

Vanuit het gezichtspunt van de lokale bevolking kun je veel beter de echte toeristen hebben, die ongegeneerd met hun onwetendheid te koop lopen en geen enkele moeite doen om te pretenderen dat zij een speciale behandeling verdienen. Die nemen een pint bier bij hun pizza en een cappuccino na het toetje en betalen gewoon de rekening. De lokale obers, restauranthouders, winkelbedienden en suppoosten zitten helemaal niet te wachten op vreemdelingen die blijk geven van begrip van hun cultuur. Ze willen gewoon hun werk doen en geld verdienen. Met iemand in een bloemetjesbermuda met een dikke camera op zijn buik gaat dat meestal beter en in elk geval een stuk vlotter. En dat heeft niets te maken met afzetten, beledig hen niet, maar met efficiënt zaken doen.
Ik ben me ook ooit zelf een keer bewust geworden van de ongemakkelijke ambiguïteit van het existentiële onderscheid tussen mijzelf, een gesofisticeerd reiziger in het diepst van mijn gedachten, en domme toeristen, die niets anders waardig zijn dan mijn hoon en ergernis. Ik was met Stella, mijn vriendin, in Toledo. Zij is kunsthistorica en doet onderzoek naar de maniëristische beeldhouwer Francesco Fanelli en zijn atelier. Daarom waren we daar. Zij had aanwijzingen dat zijn zoon daar in de zeventiende eeuw had gewerkt. Een van de plaatsen die zij moest bezoeken, was de kerk van het klooster van de kapucijner zusters op Plaza Capuchinas. Maar die nonnen zijn monialen, slotzusters die strikt binnen de clausuur van het klooster verblijven. We hadden gebeld om een afspraak te maken. De kerk zou sowieso opengaan voor publiek. Een non verscheen om de deur te openen. Ze gebaarde dat we naar binnen konden en rende weg om elk verder contact met ons en de rest van de boze buitenwereld te vermijden. Er waren interessante bronzen sculpturen op het altaar. We belden nogmaals met het verzoek of de lichten aan mochten. Er was een belangrijke crucifix in een zijkapel. Daar vonden we zelf een lichtknopje. Stella fotografeerde alles van nabij. Intussen waren er ook nieuwsgierige toeristen de kerk binnengekomen. Ook zij begonnen het altaar en de crucifix te fotograferen. Ik ergerde mij daar verschrikkelijk aan. Zij hadden geen enkel respect voor de heilige plaats met hun comfortabele loopschoenen en cameralenzen. Maar toen besefte ik dat wij in feite precies hetzelfde deden. Het enige verschil tussen hen en ons was dat wij het recht meenden te hebben om respectloos te fotograferen omdat er een kunsthistorische motivatie ten grondslag lag aan onze inbreuk op de heiligheid van de plaats. Maar dat is, als je er goed over nadenkt, een belachelijke redenatie. Want wat wisten wij van de anderen? Misschien waren zij ook allemaal kunsthistorici, ook al zagen ze er niet zo uit. Of misschien waren ze diep gelovig en hadden ze meer aandacht voor de heiligheid van de plek dan wij. En welbeschouwd hadden wij de rust van de nonnen meer verstoord dan die toeristen door tot tweemaal toe te bellen en zelf met onze gretige buitenlandse vingers aan lichtknopjes te gaan zitten.

DEATH-RUN

De tijd dat we de vakantie beschouwden als een periode van ledigheid en ontspanning is voorbij. Wanneer we op reis zijn, zijn we op zoek naar de unieke, authentieke ervaring. Daarbij treden de anderen, die eveneens op zoek zijn naar de unieke, authentieke ervaring, op als stoorzender, want hun aanwezigheid is voldoende om te verhinderen dat onze ervaring uniek en authentiek is.

De gedachte dat dit streven ons verrijkt, maakt deel uit van de kern van onze identiteit. Dat je bijzondere dingen doet, maakt het zeer waarschijnlijk dat je een bijzonder mens bent. En bovendien is het een wedstrijd. Tijdens onze vakantieperiode zijn wij in competitie met onze vrienden en collega’s wie de meest unieke en authentieke ervaringen op zijn palmares vermag bij te schrijven. Wanneer Joop en Anja onverhoopt ook het lef hebben gehad om naar de Bosjesmannen te gaan, net als jij vorig jaar, reageer je verveeld en vraag je of ze de San of de Basarwa bedoelen. ‘We hebben de grotschilderingen gezien bij Murewa. Heel bijzonder.’ ‘Dat is toch een toeristisch circus geworden. Wij zijn bij een Khoisanstam uitgenodigd.’ ‘Wij ook. Voor ons hebben ze ook een traditionele dans gedaan.’ ‘Dat doen ze tegenwoordig altijd voor de toeristen. Wij zijn bij hen thuis geweest, in de hutten, voor een traditionele aardvarkenmaaltijd.’
‘Wij mochten mee op de jacht. We hebben dat aardvarken zelf gevangen.’ ‘Ja, maar was dat de gewone jacht, die ze ook met toeristen doen, of de death-run in het droge seizoen?’

De verplichting om in je vakantie je identiteit te bevestigen en in competitieverband unieke en authentieke ervaringen na te jagen, leidt tot vakantiestress. Want de vakantie duurt maar drie of vier weken en als de onvergetelijke ontmoetingen met de inheemse bevolking uitblijven, tikt de tijd toch gewoon door. Je kunt wel een exotische bestemming uitzoeken, met religieuze toewijding alle toeristische plaatsen vermijden, je heil zoeken in ontoegankelijke buitengewesten, je laten vervoeren per pakezel of yak en met een stalen gezicht de meest walgelijke gerechten doorslikken, maar het gaat om het verhaal dat je straks thuis moet vertellen en het verhaal bestaat uit bijzondere contacten. Anders ben je een buitenstaander gebleven. Dan ben je precies datgene wat je bent maar wat je ten koste van alles niet wilde zijn: een toerist.

Sommigen willen zo graag geen toerist zijn dat ze het doel van hun reis wijzigen en bijvoorbeeld een aantal weken gaan helpen in een weeshuis in Afrika. Dat is pas een unieke en authentieke ervaring. Intussen kunnen ze in Afrika de vraag naar plekken voor vrijwilligers in weeshuizen niet meer aan. Ze richten nepweeshuizen op en huren kindjes van arme families in om voor wees te spelen om aan de enorme vraag vanuit het Westen te kunnen voldoen. Vaak stichten ze die nepweeshuizen, waar een westerling in ruil voor een aanzienlijke prijs zijn geweten kan opschonen en zijn unieke ervaring kan opdoen, vlak in de buurt van een idyllisch zandstrand.

En de paradox bij dit alles is dat we niet op zoek gaan naar een unieke en authentieke ervaring door volledig isolement na te streven in de rimboe of door een aftandse buitenwijk op te zoeken van een industriële metropool. We willen uiteindelijk toch allemaal dezelfde bijzondere plaatsen bezoeken als iedereen. Maar we willen die ervaring dan wel voor onszelf houden, alsof we die plaatsen zelf hebben ontdekt. We willen de gedeelde ervaring op een unieke manier beleven. Het is de paradox van het massa-individualisme. Het is de paradox van deze tijden, die Apple zo briljant heeft weten te marketen met zijn iPhone. We hebben allemaal hetzelfde hoogst individuele product. Het is jouw persoonlijke telefoon. Daar staat die ‘i’ voor. Maar tegelijkertijd hoef je niet bang te zijn dat je toevallig de verkeerde hoogst individuele telefoon hebt uitgezocht, want het is dezelfde hoogst individuele telefoon die iedereen heeft. Zo zijn onze reizen.

GEEN ONTROERING

Waarom zou je eigenlijk de Mona Lisa in het echt willen zien? Dit is een oprechte vraag. Iedereen wil de Mona Lisa in het echt zien. In het Louvre zijn pijlen en richtingaanwijzers aangebracht om te zorgen dat je zo min mogelijk wordt afgeleid door de andere kunst en linea recta vóór de Mona Lisa komt te staan. Dat zou al een reden moeten zijn om de Mona Lisa links te laten liggen, toch? Veel te toeristisch. De reden dat je het schilderij toch wilt zien, is niet dat het mooi is. Mooi is geen criterium. Andere werken van Leonardo da Vinci zijn mooier en beter. En wanneer je de Mona Lisa dan uiteindelijk in het echt ziet, kun je haar niet zien. De andere toeristen ontnemen je het zicht. En bovendien hangt het schilderij achter een centimeter dik, groen, kogelwerend glas. Op reproducties zie je het beter.

Ze hadden in Italië een tijdje geleden een schitterende tentoonstelling ingericht van de werken van Caravaggio. Al zijn werken uit de hele wereld waren bijeengebracht in de vorm van superieure reproducties, geprint in de hoogst denkbare resolutie met verlichting van achteren. Als het zou gaan om de schoonheid, om de interesse in het beeld, om de studie van de kunstenaar en zijn tijdvak, zou dit de ideale Caravaggio-tentoonstelling zijn geweest. Alleen ging niemand ernaar toe. Dus daar ging het kennelijk allemaal niet om.

Het gaat om precies dat: je wilt de Mona Lisa in het echt zien vanwege de ervaring haar in het echt te zien. Het gaat om wat Walter Benjamin het aura van het kunstwerk noemde. Waar het om te doen is, is niet het kunstwerk zelf, maar om de sensatie van nabijheid, bij voorkeur bezegeld met een foto of een selfie. Het bezoeken van de Mona Lisa in het Louvre levert geen diep inzicht op, geen esthetisch genot of plezier, geen ontroering, maar alleen ergernis vanwege de andere toeristen. De foto die je van het schilderij maakt, zul je nooit meer bekijken. Ook daarom was het niet te doen. Het enige wat we willen, is de illusie om ons het beroemde kunstwerk kortstondig toe te eigenen met onze aanwezigheid. Dan kunnen we het afvinken van ons lijstje. Dan kunnen we zeggen dat we het hebben gezien.

IN ONZE BOUDOIRS

Dit alles zou relatief onschuldig zijn als het onschuldig was. Maar dat is het niet. Toerisme is wereldwijd de meest lucratieve bedrijfstak en voor veel landen de voornaamste bron van inkomsten, maar richt wel degelijk grote schade aan. Als ik wederom gebruikmaak van mijn voorrecht dat ik in Italië woon, dat ik het ook van de andere kant kan bekijken en het Italiaanse perspectief kies, besef ik dat Italië niet zonder de inkomsten kan die toerisme genereert, maar dat het toerisme tegelijkertijd alles vernietigt wat het land voor toeristen aantrekkelijk maakt.

Venetië is een afschrikwekkend voorbeeld. De historische binnenstad is inmiddels verworden tot een openluchtmuseum, een historisch themapark. Van de oorspronkelijke stad is niets meer over. Er woont vrijwel niemand meer. Het toerisme heeft het vastgoed onbetaalbaar gemaakt. Als je ergens in Venetië een pak melk zou willen kopen, moet je eigenlijk de stad uit, naar Mestre op het vasteland. Als je toevallig in plaats van een pak melk op zoek bent naar een plastic gondel met knipperlichtjes, kun je in zo goed als elke winkel terecht. En Venetië is een uiterst kwetsbare stad. Zij heeft te lijden onder de geseling van miljoenen gymschoenen en vooral van de cruise-schepen die zo ongeveer aan het San Marcoplein aanmeren en de funderingen vernietigen met de golfslag die ze veroorzaken. Venetië zakt weg onder zijn populariteit en verdrinkt. De burgemeester van Venetië heeft laatst voorgesteld om de stad te verkopen aan Disneyland. Hij is een verstandig man en het was natuurlijk een provocatie, maar niet helemaal. Venetië is het punt voorbij dat we nog net kunnen doen alsof het een stad is die bestuurd moet worden door een gemeenteraad en een burgemeester. Het moet worden uitgebaat als een pretpark. Er moet worden gedacht aan het heffen van toegangsprijzen en er moet een manier worden gevonden om de bezoekersstromen op een ordentelijke manier langs de attracties te leiden. En bij Disneyland weten ze hoe dat moet.

Waarom hebben al die barbaren uit Amerika, Azië en Noord-Europa eigenlijk het recht om onze zeldzame, kwetsbare Italiaanse kunstwerken in het echt te zien?

Maar de problemen zijn niet beperkt tot Venetië. De zegen en de vloek van Italië is dat het land de meeste kunstschatten herbergt van de wereld. Daar komen de mensen voor. Maar grote musea als het Uffizi en de Vaticaanse musea zijn gehuisvest in eeuwenoude, kwetsbare palazzi. Ze kraken onder de comfortabele loopschoenen van miljoenen bezoekers per jaar. De fresco’s van de Sixtijnse kapel hebben meer te lijden onder de adem en zweetlucht van de miljoenen toeristen dan van het verstrijken van de eeuwen. Het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci in Milaan vervaagt onder de aandacht van bezoekers. Het gaat zo niet meer. Er gaan stemmen op in de Italiaanse kunstwereld om alle musea te sluiten voor publiek. Als we de kunstschatten voor hun ondergang willen behoeden, is dat de enige mogelijkheid. We moeten de toegangsdeuren barricaderen met zandzakken en er komt geen toerist meer in.

En waarom hebben al die barbaren uit Amerika, Azië en Noord-Europa eigenlijk het recht om onze zeldzame, kwetsbare Italiaanse kunstwerken in het echt te zien? Waar halen ze de overmoed vandaan om te denken dat het normaal is dat ze voor een luttel bedrag aan euro’s mogen ademen in dezelfde ruimten waar wij onze kunstschatten bewaren? Laten we er niet omheen draaien: ze snappen er toch geen hol van. Het zou werkelijk beter zijn om een toelatingsexamen af te nemen voor aspirant-bezoekers van de musea en de weinigen die slagen een toegangsprijs te vragen van enkele honderden euro’s per persoon alvorens ze onder begeleiding een kort moment een blik mogen werpen op de originelen.

Maar Italië heeft niets anders en wat dat betreft is Italië net als de rest van Europa. Wij kopen onze dromen in Hollywood, onze kleding in China en praten met elkaar dankzij Silicon Valley. Het enige wat wij nog kunnen verkopen, is ons verleden. Wij moeten de barbaren toelaten in onze boudoirs en in de spiegelzalen waar vroeger onze dansen ruisten omdat onze historie onze enige toekomst is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.