Wat spoken ze toch uit op die schermen? Hoe sociale media en smartphones de opvoeding hebben veranderd

Hoe hebben sociale media en smartphones de opvoeding veranderd? Of: hoe ga je als ouder om met eeuwig appende pubers? In opdracht van de Volkskrant voerde onderzoeksbureau I&O Research een enquête uit. Die leverde deze vijf inzichten op. 

Door Laurens Verhagen & Niels Waarlo, 30 augustus 2019.

Beeld Manon van der Zwaal

‘In mijn tijd speelden we nog buiten’, bromt de hedendaagse ouder, terwijl de puber op de bank zit rond te swipen op Instagram. Een clichébeeld? Absoluut, maar zoals wel vaker een dat is geworteld in de werkelijkheid. Sociale media bestaan al zeker twintig jaar, maar zijn door de opkomst van de smartphone sinds een jaar of tien altijd en overal aanwezig. Jongeren van nu hebben nooit anders meegemaakt.

Juist omdat het leven op mobieltjes zich grotendeels buiten het zicht van de ouder afspeelt én het moeilijk concurreren is met de aantrekkingskracht van de schermpjes, zijn harde regels misschien wel nodiger dan ooit. Op welke manieren hebben onlinemedia de opvoeding veranderd? Hoe gaan ouders om met al die nieuwe apparaten die het huishouden zijn binnengedrongen? En wat vinden kinderen er zelf van? Om daarachter te komen voerde onderzoeksbureau I&O Research in opdracht van de Volkskrant een enquête uit onder een representatieve groep van 1.145 ouders met 569 kinderen in de leeftijd van 10 tot 22 jaar. Het leverde deze vijf inzichten op.

1. Het gebruik van sociale media is prominente kwestie in de opvoeding geworden

‘Is het bedtijd, telefoon beneden laten liggen. Af en toe kijken we wel op haar mobiel. Niet om te checken, maar om te begeleiden. We doen het dus niet stiekem.’   Moeder van dochter van 15

Aan klassieke regels als ‘voor het donker thuis zijn’ en ‘niet met volle mond praten’ is een rits nieuwe afspraken toegevoegd dankzij mobiele telefoons. Driekwart van de ouders heeft regels opgesteld over het schermgebruik, van het ’s nachts niet toestaan van telefoons en tablets op de slaapkamer tot het instellen van een dagelijkse maximumtijd. De populairste maatregel, ingesteld door tweederde van de ondervraagde ouders: géén telefoons tijdens het eten.

Ook al zijn er wel degelijk regels, eigenlijk verbaast het Susan Branje, hoogleraar pedagogische wetenschappen aan de Universiteit Utrecht, nog hoeveel ouders nauwelijks harde afspraken maken. Meer dan de helft van de kinderen van 12 jaar en ouder hoeft bijvoorbeeld geen rekening te houden met een tijdslimiet voor schermgebruik.

‘Aan de andere kant: ik heb zelf ook kinderen van 11 en 14’, zegt ze. ‘Schermen zijn zo normaal geworden en je kunt er zoveel verschillende dingen mee doen dat inperken praktisch geen doen meer is.’ Ook Peter Nikken, bijzonder hoogleraar mediaopvoeding aan de Erasmus Universiteit, gelooft niet in het stellen van harde grenzen. ‘Het gaat erom: wat doe je op die schermen? Toon als ouder interesse, ga niet met je vingertje wijzen. Dat is het belangrijkste. Vraag gewoon eens: wat vind je zo leuk aan die nieuwe app? Zo houd je contact.’

Beeld de Volkskrant

2. Ouders willen geen schermpolitie zijn, maar dat gaat niet zonder slag of stoot

‘Het werd ineens in om berichten af te sluiten met de groet Heil Hitler. Toen ik dat hoorde heb ik mijn zoon erop aangesproken. Gevraagd waarom hij dat deed. Hij had daar geen reden voor, behalve dat het ineens normaal werd op school.’ – Moeder van zoon van 15

Vertrouwen is goed, controle is beter. De vaak aangehaalde woorden van Lenin lijken in Nederlandse huiskamers niet in vruchtbare aarde te vallen. ‘Nederlandse ouders vertrouwen hun kinderen en laten ze redelijk hun gang gaan’, stelt onderzoeker Peter Kanne van I&O Research vast. De meeste ouders hoeven niet alles te weten van hun kinderen. Slechts 27 procent is bezorgd om zijn zoon of dochter als deze niet in de buurt is.

Het vertrouwen betaalt zich ook uit in een eigen smartphone. Gemiddeld krijgen kinderen die op hun 12de. Het is de leeftijd waarop kinderen meer autonomie van hun ouders krijgen, volgens Susan Branje. ‘Dan willen ze zelf meer beslissen, zoeken ze meer privacy op door naar hun kamer te gaan.’ Ze raadt aan die autonomie ook te gunnen, als dit op zijn plaats is. ‘Als je merkt dat een kind verantwoordelijk kan omgaan met een telefoon op de slaapkamer, laat dit dan ook gewoon toe.’ Dat laatste kan lastig zijn, weet Nikken. Maar, zo vindt hij, kinderen moeten ook af en toe hun neus kunnen stoten, met vallen en opstaan hun eigen weg vinden. ‘Het is net als zwemmen: op een gegeven moment moeten kinderen het diepe in. Je kunt als ouder niet altijd met bandjes klaarstaan.’

Dit gaat dan wel met vallen en opstaan gepaard, want het gebruik van sociale media en allerhande apparaten heeft een keerzijde, geven kinderen ook zelf toe. Het lang achter het scherm zitten uiteraard, maar ook zaken als onlinepesten. Een op de drie kinderen zegt weleens online vervelende of riskante dingen te doen. Beledigend taalgebruik (20 procent) en social media challenges (15 procent) worden het meest genoemd. Bij dit soort uitdagingen filmen tieners zichzelf terwijl ze iets specifieks moeten doen, bijvoorbeeld een raar dansje of – de bekendste – het eten van een lepel kaneel. 

Beeld de Volkskrant

3. Een onvoldoende voor je ouders verzwijgen, dat kan niet meer

‘Mijn ouders mogen altijd wel weten waar ik ben, want ik vind het een beetje raar om dat geheim te houden voor ze.’ Jongen van 14

Ze zijn voorbij, de tijden dat je een onvoldoende voor jezelf kon houden. Ouders bekijken alle cijfers op een programma als Magister, waarop ze ook kunnen zien of hun kind recentelijk nog te laat is gekomen. Ongeveer de helft van de ouders – moeders meer dan vaders – kijkt maandelijks of vaker op zo’n programma, 16 procent doet dit zelfs dagelijks. 

Niet alleen wat op school gebeurt is zichtbaar: wie wil, kan een volgapplicatie installeren op de telefoon van de kinderen. Zo kunnen ouders in de gaten houden waar zij uithangen. Het gebruik van dergelijke apps is nog geen standaardpraktijk: ongeveer een kwart van de ouders zegt ooit een volgapp te hebben gebruikt. Een procent of 10 kijkt maandelijks of vaker naar zo’n app.

De experts zijn het erover eens: wees voorzichtig met volgmethoden, vooral als dit ongevraagd of gedwongen gebeurt. Susan Branje: ‘We weten uit onderzoek dat kinderen het niet fijn vinden als ouders ze achter hun rug om volgen. Ze ervaren dat als een schending van hun privacy. Dat kan ertoe leiden dat kinderen zich juist meer van de ouders afsluiten.’

Een stuk gebruikelijker (een kwart van de ouders doet dat wekelijks) is om via WhatsApp in de gaten te houden wanneer kinderen voor het laatst hebben ingelogd. Voor de rest proberen ouders vooral vat te krijgen op het onlinegedrag door erover te praten. Eenderde tot 40 procent van de ouders zegt goed te weten welke sites het kind bezoekt, welke apps het installeert of met wie het praat op sociale media.

Het feit dat zowel ouders als kinderen te allen tijde bereikbaar zijn geworden, is handig, maar kan ook nadelen hebben. ’Vroeger was het: geen bericht is goed bericht. Nu is het andersom’, stelt Peter Nikken. ‘Zodra iemand te laat is of even niets van zich laten horen, is het paniek. Ironisch genoeg brengen de extra controlemogelijkheden juist meer zorgen mee voor ouders.’

Hogeropgeleiden zijn hierbij wel wat zorgelozer, blijkt uit het onderzoek. Of misschien zelfs wel naïever, in de woorden van onderzoeker Kanne. Ze geven hun kroost op jongere leeftijd een telefoon (wat niet te verklaren is uit inkomensverschillen) en hebben vaker helemaal geen afspraken (23 procent) dan de lageropgeleiden (12 procent). Vroeger was dat juist andersom, weet Peter Nikken. ‘Hogeropgeleide ouders proberen wellicht meer in overleg, via een goed gesprek hun kinderen te behoeden voor risico’s, en hopen misschien dat hun kinderen zelf oplossingen kunnen bedenken als ze een probleem hebben.’

Beeld de Volkskrant

4. Er wordt veel gesproken, maar moeilijke onderwerpen worden uit de weg gegaan

‘Ik heb het idee dat we redelijk wat bespreken samen, maar er is ook veel wat ik niet weet van haar. En dat is ook prima, ik vertrouw haar wel.’  Moeder van dochter van 17

Er wordt van alles besproken, ‘maar ouders en kinderen houden het aan de veilige kant’, stelt onderzoeker Kanne. Ja, de gebeurtenissen van de dag worden besproken en ook schoolprestaties, vriendschappen en bijbaantjes komen met enige regelmaat aan de orde. Anders is het met onderwerpen als ‘het gebruik van sociale media’ of ‘hoe om te gaan met conflicten’. Deze onderwerpen worden door iets minder dan 30 procent van de ouders dagelijks of wekelijks besproken. Gevoelige onderwerpen als verliefdheden, pesten, seksualiteit, alcohol- of drugsgebruik komen nog veel minder vaak aan de orde.

Over vriendschappen beginnen kinderen het vaakst het gesprek, maar bij andere onderwerpen zijn het meestal de ouders die een gesprek initiëren. Maar het beeld dat ouders hebben, strookt niet met dat van de kinderen. Ouders zeggen namelijk veel vaker een moeilijk onderwerp aan te snijden dan kinderen ervaren. De animo om het aantal gesprekken op te voeren is overigens aan beide kanten niet erg groot. Als ouders al iets meer willen bespreken, dan zou dat moeten gaan over hoe om te gaan met conflicten en het gebruik van sociale media. Voor de kinderen hoeft dat niet.

Wel blijkt dat dochters makkelijker praten, en meer met hun moeders dan zonen met vaders.

Beeld de Volkskrant
Beeld Manon van der Zwaal

5. Voor dochters gelden andere normen dan voor zonen

‘Ik vind dat ze helemaal niet naar porno moeten kijken. Dat is ook met enige regelmaat onderwerp van gesprek.’  Ouder van meisje van 18.

Ouders (en kinderen) hanteren andere normen voor meisjes dan voor jongens. Zowel meisjes als hun moeders vinden minder vaak dan jongens en vaders dat het kind dingen moet kunnen ondernemen zonder dat de ouder weet waar hij of zij is. Volgens onderzoeker Peter Kanne is er zelfs sprake van ‘een dubbel sekse-effect’. Moeders zijn namelijk nog eens strenger voor dochters dan voor zonen. Offline overigens ook: jongens mogen eerder buitenshuis een date hebben dan meisjes.

De verschillen komen ook naar voren bij het kijken naar porno. Jongens vinden vaker (50 procent) dan meisjes (39 procent) dat ze pornofilmpjes moeten kunnen kijken zonder dat de ouders dat weten. Ouders stemmen hier in geval van een zoon veel vaker mee in (47 procent) dan bij de dochter (28 procent).

Volgens Lenny van Rosmalen, pedagoog aan de Universiteit Leiden, vertalen maatschappelijke denkbeelden die al langer leven zich eenvoudig naar de sociale media. Die denkbeelden komen daarbij niet uit de lucht vallen: ‘Als je jongeren gaat ondervragen, dan blijkt dat een veel groter percentage jongens voor een bepaalde leeftijd naar porno heeft gekeken dan meisjes. Het is iets wat jongens vaker doen, en dus zul je dat als ouders ook normaler vinden. Ouders willen dat kinderen in de pas lopen.’

Beeld de Volkskrant
Arjan en Brunhilde Koopmans. Beeld Simon Lenskens

‘ZE MOETEN ER ZELF ACHTER KOMEN’

Arjan (48, consultant) en Brunhilde (14, 3de klas vmbo)

A: ‘Ik zag dat 11 jaar zo’n beetje de leeftijd is waarop kinderen een mobieltje krijgen, dus we zijn daarin meegegaan. We hebben Brunhilde begeleid door haar op de gevaren van internet te wijzen, zoals seksueel getinte sites. Maar we waren aan het begin niet voorbereid op de vervelende dingen.’

B: ‘Ik kreeg te maken met onlinepesterijen, via WhatsApp-groepen.’

A: ‘Het ging ver, wat klasgenoten erop zetten. We hebben de ouders er ook op aangesproken.’

B: ‘Ik gebruik vooral Snapchat, Instagram, YouTube en Netflix. Facebook is echt een no-go. Ik zit er wel zeven uur per dag op. Te lang, denk ik, maar de tijd gaat zo voorbij.’

A: ‘We hebben geen tijdslimiet ingesteld. Ik treed wel op als mijn kinderen om 11 uur nog met hun mobieltje in bed liggen, dan loop ik de slaapkamer in. Maar aan de andere kant: als je tot 2 uur ’s nachts op je telefoon zit en je moet de volgende dag vroeg op voor school, dan wordt het een zware dag. Daar moeten ze achter komen.’

B: ‘Voor Snapchat is mijn vader te oud, maar we volgen elkaar wel via Instagram.’

A: ‘Door mijn kinderen blijf ik bij. Zij hebben een account voor me aangemaakt.’

B: ‘Dat vind je toch leuk, pap? Beetje dingen posten, beetje dingen liken? Maar als hij een foto van me plaatst waar ik vreselijk opsta, dan moet die er wel vanaf.’

A: ‘Ze trackt zelfs mijn auto. Er staat een QR-code op die ze gescand heeft met haar mobiel.’

B: ‘Ik kan constant zien waar hij is. Wanneer hij de auto start, of hij nog wel genoeg benzine heeft, hoe hard hij rijdt.’

A: ‘Het is digitale stalking. Maar ik vind het prima hoor. Het heeft ook voordelen; ze weten precies wanneer ik thuiskom. Andersom heb ik die behoefte niet, om haar te volgen.’

B: ‘Dat zou ik geen fijn gevoel vinden. Het voelt dan alsof je ouders je niet vertrouwen.’

A: ‘Ik kijk weleens op haar iPad of mobieltje. Ik vang snel op als er zaken gebeuren die niet door de beugel kunnen. Gelukkig is dat nooit gebeurd. Zou het wel gebeuren, dan moet ze de telefoon inleveren.’

A: ‘Alleen tijdens het eten wordt er niet op mobieltjes gekeken, heel simpel.’

B: ‘Pap, kom op, even eerlijk…’

A: ‘Nou ja… incidenteel heb ik hem dan bij me, als ik tien dingen tegelijk moet doen. Dan spot ik even wat mailtjes of lees wat op teletekst. Maar het is niet zo dat wij hier nooit een gesprek voeren en maar op onze schermen staren.’

Petra Furst met haar dochter Marie-Lyonelle. Beeld Rebecca Fertinel

‘WE MOETEN VAN ELKAAR WETEN WAAR WE ZIJN’

Petra (54, computerwetenschapper) en Marie-Lyonelle (15, 4-havo) 

ML: ‘Ik was 12 toen ik mijn eerste smartphone kreeg, vlak voor ik naar de middelbare school ging.’

P: ‘Daar worden de kinderen min of meer gedwongen om een smartphone te hebben. Die hebben ze nodig om te zien waar de volgende les is, in de ochtend moeten ze kijken of het eerste uur uitvalt, het huiswerk staat erop. En ondertussen willen docenten dan niet dat leerlingen op hun telefoon zitten…’

M: ‘En anders ben je ook zo’n beetje de enige zonder telefoon.’

ML: ‘In het begin moest ik hem voor het slapen inleveren. ’s Ochtends kreeg ik hem pas terug als ik klaar was met douchen en ontbijten en zo. Anders zou ik te laat komen.’

P: ‘Ik hield toen een oogje in het zeil. Dan zat ik naast haar op de bank als ze op haar telefoon zat. Ze vroeg ook aan mij: mag ik dit downloaden, of niet? Inmiddels hebben we bijna geen afspraken meer, ze is oud genoeg. Alleen als we in gesprek zijn, of we gaan eten, moet dat mobieltje echt weg. En soms zeg ik wel: leg hem maar even aan de kant, dan kunnen je ogen rusten.’

‘Zelf gebruik ik mijn telefoon weinig, eigenlijk vooral voor contact met mijn dochter. Ik heb een apart geluidje voor als zij mij een bericht stuurt. Als het iemand anders is, denk ik: ach, dat kan later. Op mijn dochter reageer ik meteen.’

ML: ‘Mijn moeder ziet mijn schoolcijfers vaak eerder dan ik, op Magister. Ze staan er nog geen tien seconden op, lijkt het wel, of ik krijg van haar een appje met welk cijfer ik heb. Maar Magister laat ook zien of je te laat komt, of je er bent uitgestuurd en of je huiswerk niet hebt gemaakt, en dat vind ik soms wel vervelend. Dan kom ik thuis en krijg ik te horen: hoezo heb je dat huiswerk niet gemaakt, je had de hele ochtend om het te doen!’

P: ‘Voor mij is school erg belangrijk. Ik noem dat geïnteresseerd. Gelukkig doet ze het goed.’

M: ‘Laatst heb ik mijn moeder een app aangeraden waarmee je elkaars locatie kunt volgen. Als ik bij vrienden ben, kijk ik niet altijd op mijn telefoon, en als ik dan niet op mijn moeder reageer kan ze in elk geval zien waar ik ben. Dat vind ik niet vervelend, ik heb daar toch geen geheimen over. En ik kan ook zien waar zij is.’

P: ‘Dan stuurt ze me: zo mam, zit je weer eens in de bieb? Ik vind dat we van elkaar moeten weten waar we zijn. Dat is geruststellend.’

Beeld Manon van der Zwaal

MEER OVER OPVOEDEN EN SCHERMVERSLAVINGEN:

Wat is beter ‘curlingouders’ (heel beschermend) of is ‘liefdevol verwaarlozen’ een betere methode. Het regent opvoedadviezen van experts. Vaak zijn ze nog tegenstrijdig ook. Gelukkig is daar de Leidse hoogleraar historische pedagogiek René van der Veer als baken van relativering voor moderne ouders in verwarring.

Een thermostaat om internet een standje lager te zetten – zodat je niet steeds op je scherm kijkt.

Hoe worden we minder afhankelijk van smartphone en andere technologie? De tegenbeweging is in opkomst: een overzicht van de opvallendste en soms ludieke anti-tech.

De paradox van de smartphone: apps beloven ons efficiënter te laten werken, maar ondertussen neemt de stress toe. Het altijd maar bereikbaar zijn en het continue informatiebombardement eisen hun tol. Is er nog een uitweg?

Bron: de Volkskrant.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.