Participatiesamenleving belemmert integratie gezinnen met niet-westerse culturele achtergrond

Niet-westerse moslimgezinnen raken steeds geïsoleerder als ze hulp nodig hebben. De participatiegedachte schrijft voor dat burgers eerst en vooral hun eigen netwerk moeten aanspreken. Maar steun uit de eigen gemeenschap betekent voor niet-westerse moslims meer gevoelens van uitsluiting en minder integratie in de Nederlandse samenleving.

Door Youssef Azghari, Janine Janssen, 12 november 2019

De huidige zo bejubelde participatiesamenleving maakt de kloof tussen Nederlanders met en zonder een migratieachtergrond alsmaar groter (Azghari, Van de Vijver, & Hooghiemstra, 2018). Het idee dat iedereen op eigen kracht en met inzet van het eigen netwerk de regie voert over het eigen welbevinden werkt vooral voor de niet-westerse moslimgezinnen met een zwak sociaal netwerk en een lage sociaaleconomisch status averechts. Als de steun moet komen vanuit hun eigen besloten gemeenschap vergroot dat gevoelens van exclusie.

Wanneer men de schroom van zich afschudt en hulp inschakelt van de eigen familie of vriendenkring is er al heel veel leed. Gezinnen met een niet-westerse culturele achtergrond doen pas een beroep op hulpverlening als het water tot aan de lippen komt, blijkt ook uit een lopend onderzoek van het Avans-lectoraat ‘Veiligheid in Afhankelijkheidsrelaties’ in gesprek met deze gezinnen en sociaal werkers.

Wat betekent hulp vragen voor mensen met een migratieachtergrond?

Voordat we ons afvragen of mensen met migratieachtergrond in staat zijn om de weg naar de hulpverlening te vinden, moeten we eerst verkennen wat voor ideeën daarover leven. Zijn zij op de hoogte van de inrichting van het Nederlandse zorglandschap en de route naar instellingen? Tot op welke hoogte wordt hun beeldvorming beïnvloed door ervaringen uit het land van herkomst? Hoe hoog is de drempel om uit de school te klappen over intieme familiegheimen?

Zulke vragen zijn niet eenvoudig te beantwoorden, maar als we voor iedereen iets willen betekenen, wel essentieel om te stellen. Want een goed zorgaanbod met een goede toegang maakt dat mensen volwaardig mee kunnen doen aan de samenleving. De vraag is ook of sociaal werkers voldoende toegerust en voorbereid zijn om cultuurbepaalde dilemma’s het hoofd te kunnen bieden.

Mismatch tussen verwachtingen en wat hulpverleners bieden

Niet-westerse gezinnen zijn niet goed op de hoogte zijn van wat een participatiesamenleving inhoudt, laat staan hoe ze daarnaar kunnen handelen. Uit ons onderzoek kwam naar voren dat er een mismatch is tussen wat burgers of cliënten met een niet-westerse culturele achtergrond verwachten en wat hulpverleners kunnen bieden. We signaleerden drie in het oog springende verschillen.

Ten eerste zien gezinnen met een niet-westerse culturele achtergrond de hulpverlener als een probleemoplosser. Zij houden hen vanwege hun studie of uniform verantwoordelijk voor het oplossen van hun klachten. Als ze met een probleem komen dan verwachten ze niet alleen een diagnose (wat is het probleem?), maar ook het medicijn (de oplossing).

Op de tweede plaats snappen burgers met een niet-westerse culturele achtergrond niet waarom zij de probleemeigenaar zijn en het initiatief moeten nemen om het vraagstuk op te lossen waarvoor ze juist bij de hulpverlener aankloppen. Ten derde wordt door de hulpverleners nauwelijks rekening gehouden met de cultuur van niet-westerse gezinnen en hun visies op en verwachtingen van de hulpverlening.

Schaamte weerhoudt hen van hulp vragen aan familie

De eerste twee verschillen (de hulpverlener lost mijn probleem op en ik hoef geen actie te ondernemen) staan haaks op de participatiegedachte. Die verwacht immers van de hulpvragers dat ze zoveel mogelijk gebruikmaken van hun eigen kracht en sociaal netwerk en dus niet afhankelijk zijn van professionele hulpverlening. Dit dwingt burgers om meer beroep te doen op de eigen familie en vriendenkring.

Bij burgers met een niet-westerse culturele achtergrond gaat dat niet van harte, vanwege schaamtegevoelens en de ander niet tot last willen zijn. In niet-westerse culturen hangt men niet graag de vuile was buiten, tenzij de nood hoog is. Maar in zo’n noodgeval versterkt de participatiegedachte zeker de banden met de eigen familie en mensen met dezelfde etnische achtergrond.

Inschakeling eigen netwerk belemmert integratie

Tegelijkertijd belemmert deze eenzijdige versterking van de band met familie integratie in de Nederlandse samenleving. Mensen maken op deze manier buiten de eigen familie en vriendenkring weinig nieuwe contacten. Dat maakt hen extra kwetsbaar omdat hun hulpbronnen beperkt zijn en snel uitgeput.

Dat de participatiegedachte behalve zelfredzaamheid ook nieuwe verbindingen stimuleert blijkt voor moslimgezinnen met een niet-westerse culturele achtergrond een utopie. Het draagt bij aan isolatie.

Als familie-eer geen warm bad, maar knellend harnas is

Met name in groepen, waarin de familie-eer een grote rol speelt, doet zich een paradox voor. De familiebanden zijn zeer hecht en men vindt het een groot goed om voor elkaar op te komen en zorg te dragen. Maar datzelfde warme bad wordt een knellend harnas als er intern conflicten spelen die de naam van de familie in diskrediet kunnen brengen.

Dan wordt het moeilijk om binnen de eigen kring en op eigen kracht problemen op te lossen. In plaats van het eigen netwerk moeten de professionals dan hulp bieden. Een buitenstaander wordt vaak eerder vertrouwd dan een lid van de gemeenschap dat uit de school zou kunnen klappen over een familiegeheim (Janssen, 2017).

Meer aandacht voor cultuurbepaalde verschillen in opleiding

Bij de opleiding tot sociaal werker moet extra aandacht komen voor cultuurbepaalde dilemma’s die de integratie mogelijk belemmeren. Nu is er te weinig aandacht voor verschillen in verwachtingen van niet-westerse moslimgezinnen en hulpverleners.

De focus moet daarbij liggen op hoe hulpverleners de eigen kracht en het sociaal netwerk van burgers met een niet-westerse culturele achtergrond kunnen helpen versterken. Op deze manier bijdragen aan een rijker en breder sociaal kapitaal behoort tot de belangrijkste taken van de toekomstige sociaal werkers.

Youssef Azghari is docent Social Work en onderzoeker bij het lectoraat Veiligheid in Afhankelijkheidsrelaties & Jeugd, Gezin en Samenleving aan Avans Hogeschool. In 2018 promoveerde hij met zijn proefschrift ‘Participation of Young Moroccan-Dutch and the Role of Social Workers’.

Janine Janssen is hoofd onderzoek van het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld van de nationale politie, lector Veiligheid in Afhankelijkheidsrelaties aan Avans Hogeschool en bijzonder hoogleraar Rechtsantropologie aan de Open Universiteit.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.