Het Nederlands dat we nu spreken, hebben we te danken aan migranten

Migratie is al eeuwenlang het vliegwiel van verandering in het Nederlands, toont taalkundige Nicoline van der Sijs aan in ‘15 eeuwen Nederlandse taal’. Het boek is een plezier om te lezen, oordeelt Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke Van Dale en taalschrijver van deze krant.

Door Ton den Boon,  30 november 2019 (zie ook http://bit.ly/HerkomstNL.

©(c) Marc de Haan/ Hollandse Hoogte

De geschiedenis van de Nederlandse taal mag dan zo’n 1500 jaar geleden zijn begonnen, de voorgeschiedenis van onze taal gaat vele duizenden jaren verder terug en begint in wat nu het zuidelijke deel van Rusland is, schrijft taalkundige Nicoline van der Sijs in haar nieuwe boek ‘15 eeuwen Nederlandse taal’.

Zo’n 5000 jaar voor Christus werd de Russische steppe bewoond door nomaden die een taal spraken die nu het Indo-Europees wordt genoemd. Die taal is niet schriftelijk vastgelegd, waardoor alle informatie erover via reconstructie moet worden verkregen uit talen die zijn ontsproten aan deze oertaal. Daartoe behoren onder meer het Grieks en het Sanskriet, maar ook de Romaanse en de Germaanse talen.

Van der Sijs beschrijft hoe de Indo-Europeanen (genoemd naar hun taal) zich over Europa verspreidden en in het tweede millennium voor Christus Noordwest-Europa (Noord-Duitsland, Denemarken) bereikten. Daar mengden ze zich met de plaatselijke bevolking. Onder invloed van de inheemse talen ontwikkelde zich uit het Indo-Europees een nieuwe taal: het Germaans.

Elders in Europa ontstonden op vergelijkbare wijze andere talen, zoals het Baltisch, het Keltisch en het Slavisch, met andere eigenaardigheden. Germanen die tussen 1500 en 500 afzakten naar de Rijn kwamen in aanraking met het Keltisch en het Latijn van de Romeinen die vanuit Italië naar het noorden optrokken. Onder invloed van het talige contact dat daarvan het gevolg was, ontstond het West-Germaans met naast Germaanse erfwoorden ook Keltische leenwoorden als erwt, kreeft en duin en Latijnse leenwoorden als marmer, graan en het werkwoord kopen (een afleiding van het Latijnse caupo: kroegbaas of kramer).

In het Nederlands een d, in het Duits een t

De rode draad in de taalgeschiedenis die Van der Sijs schrijft, is dat de taal die wij nu spreken, het resultaat is van een voortdurend proces van taalverandering. Ze noemt daarbij twee essentiële, met elkaar samenhangende factoren: migratie en taalcontact. Door het taalcontact als gevolg van migratie vindt voortdurend eenzijdige of wederzijdse beïnvloeding plaats die leidt tot taalverandering zonder dat de taal zijn functionaliteit verliest. Zij maakt zich dan ook geen zorgen over de invloed die andere talen nu uitoefenen op onze taal. De functionaliteit van het Nederlands is hierdoor nooit verminderd, schrijft Van der Sijs: ‘Dat zal ook niet gebeuren als er in de eenentwintigste eeuw meer en andere nieuwkomers naar de Lage Landen trekken.’ Dat mag zo zijn, maar de identiteit van het Nederlands verandert onder invloed van andere talen wel degelijk.

©Suzan Hijink

Het verval van het Romeinse Rijk, de emancipatie van de Germaanse stammen, machtsverschuivingen tussen stammen en de grootschalige volksverhuizingen in de eerste eeuwen na Christus – zulke militaire, sociale en economische factoren vormen het decor waarin zich de taalveranderingen voordeden die vanaf de vijfde of zesde eeuw leidden tot het ontstaan van de Europese talen, waaronder het Oudnederlands. Ongeveer vijftien eeuwen geleden ontstond dat uit het West-Germaans en tussen pakweg de zesde eeuw en halverwege de twaalfde eeuw moet het de volkstaal in onze contreien zijn geweest. 

Dat Oudnederlands ‘verschilde per gebied en zelfs per stad’, schrijft Van der Sijs. Ze licht aan de hand van voorbeelden toe hoe deze dialecten, die min of meer op elkaar leken, zich gingen onderscheiden van de dialecten die werden gesproken in wat nu Duitsland heet. Zo trad er klankverschuiving op bij de medeklinkers p, t, k en d, die resulteerde in nog altijd waarneembare verschillen tussen de voorlopers van het Duits en het Nederlands.

Waar in de Nederlandse dialecten een d gehoord werd (dag, vader), was in het Duits een t hoorbaar (Tag, Vater) en waar in het Nederlands een k na een klinker te horen was (ik, maken) werd in het Duits een ch-klank hoorbaar (ich, machen).

Hebban olla vogala

Rond 1150 maakt het Oudnederlands plaats voor het Middelnederlands, dat dankzij de relatief uitgebreide schriftelijke literatuur goed te bestuderen is. De overgang van het Oudnederlands naar het Middelnederlands wordt onder meer gemarkeerd doordat klinkers in onbeklemtoonde lettergrepen zijn vervangen zijn door een sjwa (een toonloze e).

Zo zou de onbeklemtoonde klinker in de eerste woorden van het bekendste Oudnederlandse zinnetje ‘hebban olla vogala nestas hagunnan…’ in het Middelnederlands als volgt hebben geklonken: hebban was hebben en vogale was vogele geworden.

Ook in het Middelnederlands was er nog lang geen eenheid in de taal. Er waren lokale en regionale dialecten, al kwamen er vanaf de dertiende eeuw steeds meer regels voor de schrijftaal. Door maatschappelijke en culturele ontwikkelingen breidde de woordenschat zich op eigen kracht uit, maar tevens werden woorden overgenomen uit de buurtalen Frans en Duits. De import van Franse leenwoorden, vaak met een klemtoon op de laatste lettergreep, was bovendien verantwoordelijk voor het ontstaan van beklemtoonde achtervoegsels in het Middelnederlands, zoals -in in boerin.

Het Middelnederlands gaat rond 1600 over in het Nieuwnederlands, dat uiteindelijk, rond 1900, resulteert in het Modern Nederlands. Deze fase van het Nederlands wordt opnieuw gekenmerkt door perioden van intensieve migratie, zowel binnen het taalgebied door de trek naar de grote steden, waar werk was, als vanuit het buitenland. Taalcontact, al dan niet door migratie, is volgens Van der Sijs ook in deze periode de drijvende kracht achter de ontwikkeling van de woordenschat en de grammatica.

Etnisch Nederlands en digitaal Nederlands

In deze fase is de taal geformaliseerd. De spelling werd gestandaardiseerd, er kwamen regels voor de werkwoordsvervoeging en er traden veranderingen op in de grammatica. Uiteindelijk leverde dat een relatief streng gereglementeerd Standaardnederlands op, dat behoorlijk ver afstaat van het gesproken Nederlands.

Tegen het einde van deze fase van het Nederlands kwam (in reactie daarop?) de emancipatie van de spreektaal op gang, onder meer onder invloed van nieuwe communicatievormen, zoals telefoon en radio en tv. Ook democratisering en allerlei vormen van emancipatie en bevrijding leidden ertoe dat de strak gereglementeerde schrijftaal terrein verloor aan de minder formele spreektaal. 

Daarnaast zorgde de naoorlogse immigratie voor het ontstaan van het ‘etnisch Nederlands’ (Turks-Nederlands, Marokkaans-Nederlands e.d.), terwijl technologische ontwikkelingen in de ICT leidden tot ‘digitaal Nederlands’ (sms-taal en chattaal). Ondanks die verscheidenheid aan variëteiten is de taal volgens Van der Sijs nog even functioneel als vroeger.

Met het ‘Chronologisch woordenboek’, het ‘Leenwoordenboek’ en andere titels heeft Nicoline van der Sijs allang bewezen de meest gezaghebbende auteur te zijn op het gebied van onze taalgeschiedenis. Ze is gezegend met een helikoptervisie en kan putten uit een fenomenale detailkennis en is daardoor als geen ander in staat om aantrekkelijk over onze taal te schrijven alsof het een samenhangend geschiedenisverhaal is.

In ‘15 eeuwen Nederlandse taal’ verliest ze de rode draad niet uit het oog en blijft ze herhalen dat migratie en taalcontact de drijvende krachten achter de permanente taalverandering zijn geweest, terwijl ze de lezer steeds weer trakteert op aansprekende voorbeelden en aantrekkelijke weetjes. Het resultaat is een informatief boek dat je uit hebt voor je er erg in hebt.

Nicoline van der Sijs: 15 eeuwen Nederlandse taal, uitgever Sterck & De Vreese, 257 pagina’s, 22,50 euro.

Lees ook:

Baarle Nassau/Hertog: een extatische grenstwist die terugvoert tot 1198

Nederland, wat is dat eigenlijk? Flip van Doorn reisde kriskras door het land op zoek naar de oorsprong van taal, grenzen en tradities. Deel 1 van een vierluik: een Belgisch-Nederlandse lappendeken aan de zuidgrens.

Bron: Trouw,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.