De professional doet het echte werk, en andere clichés

In universiteit, ziekenhuis, school en elders heerst chagrijn over bestuurders en bureaucraten. Maar de kritiek is Hans de Bruijn te makkelijk.

Door Hans de Bruijn,  1 september 2019.

Veel kritische professionals maken horizontale controle tot een bijna-dogma ©sjoerd van leeuwen

Volgende week begint het academisch jaar. Een nieuwe generatie studenten meldt zich bij de Nederlandse universiteiten. Wat is dat voor organisatie, de universiteit? In zijn boek ‘Genadezesjes. Over de moderne universiteit’ beantwoordt cultuur­historicus, filosoof en psycholoog Eelco Runia die vraag. Runia nam ontslag als medewerker van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij kon de teloorgang van de universiteit niet langer aanzien.

Het boek laat zich lezen als een verantwoording voor dat ontslag. Maar er is meer. Universiteiten zijn professionele organisaties, net als ziekenhuizen, rechtbanken, scholen, verpleeg­huizen, de politie en ga zo maar door. Het boek past in een verhaallijn die we vaker vanuit professionele organisaties vernemen. De essentie: professionals – de arts, de docent, de rechter, de verpleegkundige – wordt hun autonomie afgenomen. Ze worden ingesnoerd door bestuurders en bureaucraten, door systemen en structuren, door managers en marktdenken. Terwijl professionals het echte werk doen.

Vaak kunnen professionals met dit soort kritiek op sympathie rekenen. Ze zijn toch een beetje de underdog. Runia’s boek is exemplarisch voor die verhaallijn.

In dit essay doe ik twee dingen. Eén: ik bespreek ‘Genadezesjes’ kritisch. Ik verklap alvast: ik heb grote moeite met het boek. Twee: er is dus ook dat bredere verhaal over onze professionele organisaties. Vaak hebben professionals met kritiek op hun bestuurders een be­paalde manier van redeneren. Dat redeneerpatroon herken ik bij Runia en vat ik in vijf punten samen. Niet omdat kritische professionals altijd ongelijk hebben – wel omdat hun kritiek soms wat makkelijk is.

1 Blind geloof in horizontale controle

Professionals zijn experts en buitenstaanders beschikken niet over de expertise om een oordeel te vellen over de kwaliteit van hun werk. Dat kan alleen een collega-professional. Een oncoloog moet je laten beoordelen door een oncoloog. Een filosoof door een filosoof. Het is het leerstuk van de horizontale controle: professionals houden elkaar scherp.

Werkt horizontale controle altijd? Natuurlijk niet. Ook onder professionals is er hiërarchie. Een junior spreekt niet zomaar een senior aan. Er bestaat groepsdenken: professionals vormen soms een klein wereldje en kunnen dik tevreden zijn over zichzelf. In zo’n bubbel van zelffelicitatie werkt horizontale controle niet. Er is het non-interventie mechanisme: ik bemoei me als professional niet met jou, als jij je niet met mij bemoeit. Voorbeelden te over. Prutsende artsen kunnen vaak lang doorgaan – blijkbaar is er onvoldoende horizontale controle. Bij politie en justitie kennen we het ‘tunneldenken’: onvoldoende tegenspraak onder professionals, waardoor soms grote fouten worden gemaakt. In de rechtspraak zien we ‘onvoldoende kritische (zelf)reflectie’, constateerde een commissie vorig jaar. Horizontale controle werkt – maar werkt ook niet, dus kun je verticale controle nodig hebben.

Een eerste redeneerpatroon van veel kritische professionals is dat die horizontale controle tot een bijna-dogma wordt gemaakt: horizontale controle is goed, ze voldoet en ze is voldoende.

Dat geloof zie ik ook bij Runia. Hij wil ‘alle verticale audit-systemen afschaffen en vervangen door horizontale’. Voorbeeld: externe visitatiecommissies, die bij iedere universitaire studie om de zes jaar langskomen, en kritisch naar het onderwijs kijken Visitatiecommissies kennen we ook in andere professionele sectoren. Er is werkelijk helemaal niks mis mee. Zo’n commissie kan bijvoorbeeld een aantal afstudeerscripties lezen. Becijferen de commissieleden de scripties heel anders dan de docenten, dan is dat interessant en leerzaam; buitenstaanders zien dingen die jij niet ziet. Vreemde ogen dwin­gen. Helaas, Runia definieert visitaties als verticale controle en wil er dus niets van weten.

Runia vertelt dat de examencommissie van zijn faculteit alle scripties met een zes wilde controleren, omdat de visitatiecommissie die wilde inzien. Het gevolg was dat docenten ‘dan maar geen zesjes maar zevens gingen uitdelen’. Als dat zo is, is dat kwa­­­lijk – en bevestigt het dat professionals elkaar dus níet scherp houden.

2 Bijziend door mechanistische metaforen

Kritiek van professionals op bestuurders en managers komt al snel in een good guy (professional) – bad guy (bestuurder) schema terecht. Het is een zwart-witschema, dat vaak met statische, mechanistische metaforen wordt gelardeerd.

Denk aan allerlei Sovjet-metaforen: Krem­lin, politbureau, vijfjarenplannen. Of aan het verwijt dat bestuurders slechts boekhouders zijn, die afvinken, turven en spreadsheets produceren – ook al niet erg dynamisch. De koekjesfabriek is er ook zo een: een professionele organisatie is geen koekjesfabriek.

Ook Runia grossiert in mechanistische metaforen. De verhouding tussen universitaire medewerkers is als die in een feodale standenmaatschappij, met de bestuurders als eerste stand.

Het onderwijsproces is een chemische fabriek: een student gaat er als grondstof in en moet er zo snel mogelijk met diploma uit. Prestatie-afspraken zijn stalinistische planning­systemen (vanaf de eerste pagina van dit boek voel je al aan dat Stalin op enig moment ten tonele zal worden gevoerd).

Het bezwaar: door die mechanistische beelden zie je nog maar één werkelijkheid, die ook nog eens moreel fout is. Je wordt bijziend. Je gaat ook alles door die mechanistische bril bezien.

Voorbeeld. De minister maakt prestatie-afspraken met de universiteiten (bijvoorbeeld over rendementen), die vervolgens braaf naar de la­gen daaronder worden doorgegeven: van universiteit naar faculteit, van faculteit naar af­de­ling, et cetera. Als je dat als mechanistische Sovjetplanning ziet, moeten de medewerkers op de werkvloer uiteindelijk al die afspraken-van-boven uitvoeren. Zij zijn het slachtoffer, want die afspraken-van-boven passen niet op de praktijk van de werkvloer.

Je kunt ook anders redeneren. Doordat die afspraken over zoveel lagen naar beneden door worden vertaald, ontstaat er juist ruimte. Kun je de afspraak elke keer aanpassen aan de specifieke kenmerken van een faculteit of afdeling. De lagen zijn de schokdempers in het systeem. Maar wie door de bril van mechanistische metaforen kijkt, ziet dat niet, die kan slechts op één manier kijken. Je ziet het scherpst hoe professionele organisaties functioneren, als je er op meerdere manieren naar kijkt.

‘Een student gaat er als grondstof in en moet er zo snel mogelijk met diploma uit’ ©sjoerd van leeuwen

3 Lage tolerantie voor imperfectie

Je kunt professionele organisaties op output financieren. Universiteiten zijn deels output-gefinancierd: de budgetten worden mede bepaald door de resultaten (de output), waaronder het aantal afgestudeerden. Je kunt rechtbanken ­financieren op grond van aantallen vonnissen en een ziekenhuis op grond van aantallen behandelingen. Outputfinanciering kan positieve effecten hebben: wellicht gaan universiteiten studenten beter begeleiden, zodat ze niet eindeloos bezig zijn met afstuderen. Van outputcijfers kun je soms leren. Als de ene rechtbank veel meer output levert dan de andere, kan het interessant zijn eens na te gaan hoe dat komt.

Outputfinanciering kan ook tot perverse effecten leiden – en die worden door veel professionals graag benadrukt. De centrale kritiek: aan­tallen zijn belangrijker dan kwaliteit. Een professional wordt beoordeeld op aantallen vonnissen, aantallen medische handelingen, niet op de kwaliteit ervan. Bovendien is er de kans op strategisch gedrag: er wordt gespeeld met het systeem om er maximaal budget uit te persen.

Ook Runia bekritiseert outputsturing. Die leidt er toe dat studenten zo snel mogelijk door de studie worden gejast. Dat studenten alleen maar kennis kunnen reproduceren, hun nieuwsgierigheid niet kwijt kunnen, slechts geïnteresseerd zijn in het behalen van tentamens. Runia’s aanbeveling: afschaffen die outputsturing.

Eerst even dit, ik herken me totaal niet in dit beeld. De studenten met wie ik werk, vind ik nieuwsgierig, intelligent, maatschappelijk betrokken. Runia neigt sterk tot n=1 redeneringen: hij schaalt zijn persoonlijke ervaringen te makkelijk op tot algemene beelden.

Maar over outputfinanciering. Natuurlijk, die heeft perverse effecten. Maar dat geldt voor iedere vorm van financiering. Inputfinanciering, lumpsum-financiering, strategische financiering: als je ergens geld aan hangt, krijg je perverse effecten. Het is de ‘wet van behoud van ellende’: ieder systeem is imperfect. Dat weten we en daar kunnen bestuurders en professionals vaak ook best wat aan doen. Ik vind het prima als je outputfinanciering wilt afschaffen, maar zeg dan ook wat het alternatief is, welke perverse effecten dat zal oproepen en hoe je die tegengaat.

Het gaat me ook hier weer om een redeneerpatroon: weinig tolerantie voor de imperfecties die bij het professionele leven horen. Ieder systeem van sturing is imperfect, zelfs als dat systeem bestaat uit helemaal geen sturing.

4 Weinig aandacht voor collectieve professionaliteit

Er is een belangrijk onderscheid tussen individuele en collectieve professionaliteit. Artsen moeten goed zijn op hun vakgebied (individueel), maar de kwaliteit van de meer complexe zorg is ook afhankelijk van de manier waarop zij samenwerken met andere disciplines (collectief).

Een externe commissie prijst de kwaliteit van individuele rechters, maar voegt eraan toe: “Men acht zich niet gebonden aan ge­meen­schappelijke werkwijzen en voelt geen eigenaarschap voor het grotere geheel”. Het is individuele versus collectieve professionaliteit.

Een docent kan goed onderwijs geven – het individuele niveau. Maar als alle docenten goed onderwijs geven, betekent dat nog niet dat een studie als geheel goed is – het collectieve niveau. Er kan te veel overlap zijn tussen vakken, de vakken bouwen onvoldoende op elkaar voort, bepaalde onderwerpen krijgen on­vol­doende aandacht, of de toetsvormen zijn te weinig gevarieerd. Collectieve professionaliteit betekent dat je ook naar de studie als geheel kijkt, voorbij de individuele docent.

Als alle docenten goed onderwijs geven, betekent dat nog niet dat een studie als geheel goed is ©sjoerd van leeuwen

Runia analyseert heel sterk vanuit het perspectief van de individuele docent. Allerlei pogingen om naar een curriculum als geheel te kij­ken, bijvoorbeeld door aandacht te besteden aan leeruitkomsten van modules, aan studeerbaarheid, bejegent hij zeer kritisch. Dat mag, maar je kunt professionaliteit niet reduceren tot individuele professionaliteit en dat lijkt hij te doen.

5 Bestuur doet ertoe – en het kan schuren met de professie

En dan dat good guy-bad guy schema. Dat laat zich weerleggen met een aantal waarheden als koeien: professionele organisaties zijn ingewikkeld en moeten worden bestuurd – daar heb je bestuurders voor nodig – bestuurders zijn gebonden aan allerlei wet- en regelgeving (waar professionals vaak geen benul van hebben) – moeten schaarse middelen verdelen over professionals – staan vaak meer voor het collectieve belang van een professionele organisatie dan individuele professionals ­– gaan voorop in de verdediging van de professionele belangen bij Haagse financiers – proberen disfunctionele interventies van buiten af te dempen – nemen soms een besluit waar je als professional van baalt, so be it – willen soms iets besluiten, maar hebben onvoldoende draagvlak onder profes­sio­nals – dan baalt de bestuurder, so be it – besturen is een samenspel tussen bestuurders en professionals en soms schuurt dat – vaak ook niet.

Zoals gezegd, waarheden als koeien, die duidelijk maken dat er in professionele organisaties, naast het perspectief van de professional, ook een volstrekt legitiem bestuurlijk perspectief is. En dat het normaal is dat het tussen bestuur en professie regelmatig schuurt. Soms heeft een professional gelijk, maar heeft een bestuurder ook gelijk – en moet je er onderling uit zien te komen. En dan helpen good guy-bad guyschema’s weinig.

Runia heeft voor dit alles wel heel weinig begrip. En dat begrip mis ik ook wel eens bij al die kritische professionals. Runia stelt voor be­stuur­ders bij loting te benoemen. De hemel beware ons daar voor.

Het kan altijd beter aan de universiteit. Ja, er kunnen fundamentele meningsverschillen zijn tussen bestuur en professionals, tussen minister en universiteiten. Denk hier aan recente Haagse besluitvorming over de financiering van de universiteiten, waar veel verzet tegen is – van WO in Actie tot twitterende rectores. Maar als je voortdurend bakken met makkelijke kritiek hebt, loop je het risico dat je niet gehoord wordt als er wel serieuze kritiek is.

Ten slotte, ik moest bij lezing van ‘Genadezesjes’ onwillekeurig denken aan Donald Trump. Zijn boodschap: Amerika staat er beroerd voor omdat de politieke elite is losgezongen van de ‘real people’. Drain the swamp. Vervang ‘Amerika’ door ‘universiteit’, de politiek elite door bestuurders en de ‘real people’ door professionals en je komt aardig in de buurt van Runia’s betoog.

To Make The University Great Again, misschien is dat de beste samenvatting van wat Runia en zijn geestverwanten voor ogen staat. Een verlangen naar een universiteit waar horizontale controle volstaat, bestuurders een uiterst marginale rol spelen, er een optimaal systeem van financiering is – en nog wat van die paradijselijke condities.

Het is een universiteit die nooit heeft bestaan en er ook nooit zal komen. 

Hans de Bruijn (1962) is hoogleraar bedrijfskunde. Hij verzorgt de rubriek ‘Framing’ in Letter&Geest, en is auteur van ‘Handboek framing’.

Lees ook:

Eelco Runia stopte uit frustratie als universitair hoofddocent. ‘Was ons onderwijs ooit zo bedoeld?’

Eelco Runia zegde vorig jaar zijn baan als universitair hoofddocent in Groningen op. Hij had genoeg van de bureaucratie op de universiteit. In zijn boek ‘Genadezesjes’ beschrijft hij zijn ervaringen.

Bron: Trouw.

Eelco Runia stopte uit frustratie als universitair hoofddocent. ‘Was ons onderwijs ooit zo bedoeld?’

Eelco Runia zegde vorig jaar zijn baan als universitair hoofddocent in Groningen op. Hij had genoeg van de bureaucratie op de universiteit. Deze week verscheen zijn boek ‘Genadezesjes’ waarin hij zijn ervaringen beschrijft.

Door Janne Chaudron, 24 mei 2019.

Eelco Runia. ©www.olafkraak.nl

Sputteren of kritiek hebben is niet meer genoeg. Volgens historicus en psycholoog Eelco Runia (63) verkeert het onderwijs op de universiteiten in een crisis. De bureaucratie, de protocollen, de uitdijende onderwijscurricula, de management- en controlecultuur, het aantrekken van zoveel mogelijk studenten; het zijn allemaal aspecten die het werken op een universiteit er niet leuker op maken en die bovendien het niveau van het onderwijs ondermijnen. “Van het hele systeem dat we met elkaar hebben opgezet moeten we ons als politiek en samenleving afvragen: willen we dit eigenlijk wel? Was dit ooit zo bedoeld?”

Er wordt aan allerlei knoppen gedraaid, maar het systeem zelf wordt alleen maar knellender

Historicus en psycholoog Eelco Runia, tot anderhalf jaar geleden werkzaam als universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Groningen, schreef een boek over de werkwijze op universiteiten, dat deze week verscheen. Hij rekent genadeloos af met het universitaire onderwijssysteem. ‘Genadezesjes’ bestaat uit acht brieven aan mensen die op de een of andere manier zijn betrokken bij de universiteit – variërend van de belastingbetaler tot de bedrijfsarts en van de bestuurders tot politici. Zo probeert Runia de crisis die zich voordoet op de universiteit vanuit verschillende gezichtspunten te laten zien. “Genuanceerd, maar zeer zorgwekkend”, zo omschrijft Runia zijn boek in de tuin van zijn woning op een vakantiepark aan de Noord-Hollandse kust.

Runia’s waarnemingen, want dat zijn het naar eigen zeggen; hij wil zich niet opwerpen als expert, komen voort uit een opiniestuk in NRC Handelsblad vorig jaar. Daarin legt hij uit waarom hij de universiteit de rug toe keerde. Dat zorgde in Groningen voor nogal wat opschudding. Het faculteitsbestuur riep de vakgroep geschiedenis waar Runia deel van uitmaakte in eerste instantie op niet met de pers te praten. De discussie die volgde bleef volgens studentenbewegingen en Runia zelf veel te vrijblijvend. Van een officieel afscheid kwam het niet meer, schrijft Runia nu in zijn boek.

Vanwaar de titel Genadezesjes?

“Het symboliseert het circus op de universiteit. Een genadezesje betekent: studenten verdienen het eigenlijk niet om te slagen, maar vanwege het stelsel dat we met elkaar hebben opgetuigd, krijgen ze toch een zesje. Dat zesje wordt vernuftig gecamoufleerd door alle zogenaamde kwaliteitseisen. Voorbeeld: als eindcijfer telt niet meer alleen het cijfer van je scriptie, je moet er tegenwoordig van alles in verdisconteren. Zelfs de inzet van de student in de groepsdiscussies wordt erin meegenomen.”

De kwaliteit op de universiteit valt tegen?

“Een derde van de middelbare scholieren stroomt nu door naar de universiteit. We hebben het maximum bereikt. De kwaliteit daalt. Van veel studenten die ik tijdens mijn colleges zag, dacht ik: wat doe jij hier. Het klinkt cru, maar er zijn veel mensen die van de middelbare school komen en denken: ik wil studeren, maar die in werkelijkheid geen idee hebben.”

En toch zijn Nederlandse universiteiten populair, blijkt uit de grote aantallen buitenlandse studenten die hier naar toe komen?

“Maar ik betwijfel of dat zo nuttig is. Er wordt altijd geroepen dat het de kwaliteit verhoogt. Maar als ik kijk naar mijn eigen ervaring is dat niet zo. Ik heb colleges gegeven aan buitenlandse studenten waarvan grote percentages het niveau niet aan konden. Ik zie dat als een handelsbalans die uit het lood is geslagen. We exporteren dure studiepunten naar het buitenland en we importeren goedkope punten, in de vorm van Nederlandse studenten die bijvoorbeeld in Bologna colleges volgen.”

Runia’s boek komt op een moment dat er veel is te doen over de werkcultuur op universiteiten. De afgelopen weken volgde het ene kritische rapport op het andere. Zo waarschuwden vakbonden FNV en Vawo voor een onveilige werkomgeving op de universiteit: medewerkers zouden zich niet prettig voelen vanwege roddel en intimidatie.

Daarop volgde een advies van de Commissie van Rijn, de club die op verzoek van minister Ingrid van Engelshoven (onderwijs) de bekostiging van het hoger onderwijs onderzocht. Ook die commissie was kritisch en schreef dat universiteiten veel te veel zijn gericht op het aantrekken van studenten waardoor er te veel tijd wordt besteed aan onderwijs, en te weinig aan onderzoek. Een perverse prikkel die volgens Van Rijn uit het systeem moet. En dan zijn er nog de berichten over hoge declaraties van bestuursvoorzitters die wantrouwen in de hand werken. Terwijl veel medewerkers kampen met een hoge werkdruk.

Uw boek sluit aan bij die onvrede. Er klinkt meer kritiek.

“Er is kritiek, maar het is geen kritiek die de lading dekt en waar veel mensen achter gaan staan zodat het echt effect heeft. Dat wilde ik met mijn boek nu juist wel.

“De groep die het meest kritisch kijkt, is de groep van promovendi. Zij zitten in een tussensituatie: ze komen uit de studentenstand, en misschien worden ze ooit wetenschapper. Het zijn mensen die redelijk onafhankelijk kunnen oordelen. Een van de paradoxale dingen die ik in mijn boek onderzoek is de vraag hoe het komt dat de mensen die in de moeilijkste posities zitten het systeem het meest slaafs volgen.” 

Wie zijn dat dan?

“Dat kan iedereen zijn. Wetenschappers die decennialang ervoor zijn gegaan, die zich precies volgens de regels van het systeem gedragen en het draaiende houden. Op een gegeven moment constateren ze dat het op is. Die zie je overal rondlopen. Een van de gevolgen is dat nogal wat wetenschappers blind zijn geworden voor hun eigen belangen en bijvoorbeeld schouder aan schouder met de bestuurders op het Malieveld demonstreren.”

Die kritiek komt niet alleen van buiten. Ook binnen de universiteit is er onvrede, bijvoorbeeld over de hoge werkdruk.

“Er is inderdaad veel gedoe over de werkdruk. Maar dat is denk ik niet waar het om gaat. Werkdruk is gerelateerd aan de mate waarin je autonoom bent, je zelf kunt bepalen wat je kan doen. Juist dat is aan universiteit de afgelopen jaren 180 graden veranderd.

“Het woord professional bijvoorbeeld betekent het tegenovergestelde van wat het oorspronkelijk betekende. Als professional wordt er nu van je verwacht dat je de facultaire onderwijsfilosofie uitvoert. Dat is het tegendeel van wat professionaliteit oorspronkelijk betekende, namelijk: autonoom je eigen product ten uitvoer brengen en zelf garant staan voor de kwaliteit daarvan, eventueel in afstemming met collega’s.

“Met andere woorden: de kritiek richt zich vaak op symptomen, niet op de oorzaken. Er wordt aan allerlei knoppen gedraaid, maar het systeem zelf wordt alleen maar knellender.”

De universiteit wordt tegenwoordig ook vaak afgerekend op de managementcultuur. Herkent u dat?

“Zeker. Het is heel topdown, van verantwoording afleggen is geen sprake. Dat leidt vervolgens tot vervreemding van de realiteit. Als je als universiteit niet de ambitie hebt het maximale te halen uit onderzoek en onderwijs, komen daar andere dingen voor in de plaats.”

Wat was voor u de uiteindelijk reden om op te stappen?

“Dat is moeilijk te beantwoorden. Achteraf constateer ik dat ik na mijn vertrek weer contact voelde met de werkelijkheid. Dat heb ik het meest gemist. Als academicus weet je niet wat je marktwaarde is, je zit in een bubbel.

“Ik had het ook helemaal gehad met de verantwoordingshysterie. Er heerst aan de universiteit een enorme hypocrisie rond beoordelen. Als je een formulier goed invulde, had je goede feedback geleverd. Het circulaire onderwijs staat centraal. Dat betekent dat je als docent alleen dingen doet die je toetst en omgekeerd. De relatie met wat buiten de onderwijssetting gebeurt, verdwijnt uit beeld.

“Onderwijs als gesloten circuit is een dwingende constructie. In je studiehandleiding moet je als docent met juridische precisie uitspellen wat je gaat doen en aan welke ‘prestatieafspraken’ studenten zich moeten houden. Met die handleiding in de hand moet je toetsen anders word je door de examencommissie op het matje geroepen, je moet een bepaald percentage van de studenten laten slagen anders moet je je verantwoorden. Het onderwijs mag vooral niet te moeilijk zijn, anders zakken er te veel mensen. Het zijn allemaal processen die hebben bijgedragen aan het gevoel: dit is niet mijn biotoop.”

U heeft ook lesgegeven in de Verenigde Staten, onder andere aan Berkeley University. Ziet u verschillen met het Nederlandse systeem?

“Ik heb niet heel veel vergelijkingsmateriaal, maar op Amerikaanse universiteiten heerst een grote mate van keuzevrijheid, terwijl in Nederland het basiscurriculum als een gezwel uitdijt en een hele opleiding in beslag neemt. Op de Amerikaanse universiteit gaf elke docent waar ik werkte per semester twee seminars waar studenten op konden intekenen. Als ze niet over de juiste vaardigheden beschikten, zorgden ze maar dat ze die leerden. Dat is een heel vrij stelsel.

“In Amerika kon je als docent denken: dit onderwerp is actueel en urgent en wil ik eens uitzoeken. Dat deed je dan tijdens zo’n seminar. In zo’n systeem is er veel meer een link tussen onderwijs en onderzoek, én met de actualiteit.

“Een voorbeeld: rond verkiezingen twee jaar geleden, wilde ik iets doen met populisme. Het zat niet in ons onderwijs, terwijl geschiedenis bij uitstek een studie is waarin je dat gaat uitdiepen. Toen ik dat signaleerde op de eigen afdeling, heb ik een symposium over populisme georganiseerd, buiten het curriculum om. Studenten waren enthousiast, maar protocollen schreven voor: studenten mogen niet op de hoogte worden gebracht via de mail omdat mails van de universiteit alleen rechtstreeks met het onderwijs te maken moeten hebben. Het symposium was facultatief en stond niet vermeld in de studiegids.”

Hoe moet het dan wel? Wat moet er veranderen aan de universiteit?

“Stop met het draaien aan knoppen, de hele machinerie moet veranderen. Het idee achter het Lambda College in de Verenigde Staten intrigeert mij. Negen maanden lang word je daar onder gedompeld in de computerwetenschap. Het kost niets, met een voorbehoud. Als je klaar bent en je verdient meer dan 50.000 dollar, betaal je gedurende twee jaar maximaal 17 procent van je salaris terug aan Lambda, met een maximum van 30.000 dollar.

“Het hoofdprobleem in Nederland is dat het hoger onderwijs is verworden tot een product waar de klant zo weinig mogelijk kwaliteit van eist. Studenten willen er zo snel en makkelijk mogelijk vanaf zijn. Dat is een krankzinnige situatie. De primaire opgave is dus: hoe kunnen we ervoor zorgen dat studenten weer het maximum uit de studie halen? De universiteit moet weer een plek worden waar nieuwsgierigheid regeert.”

Carel Stolker: kom ook met bewijs

Carel Stolker van de Universiteit Leiden heeft op sommige punten moeite met het betoog van Eelco Runia. Dat het niveau van studenten daalt, herkent de rector magnificus niet. “Kritiek geven is heel goed, maar kom dan ook eens met bewijs zodat het aannemelijk is dat dit voor álle universiteiten geldt.” Stolker wijst op een net gepubliceerd onderzoek in The Times naar internationalisering van het onderwijs. Juist in dat onderzoek springen Duitsland en Nederland er positief uit, met name als het gaat om de waardering van de kwaliteit. “Ik heb bovendien geen signalen dat buitenlandse studenten het niveau van onderwijs omlaag halen, integendeel. Er is natuurlijk wel discussie over de verengelsing van het onderwijs, maar dat heeft met het niveau van buitenlandse studenten, en onze Nederlandse studenten niet zoveel te maken.”

Met Runia’s betoog dat de bureaucratisering toeneemt aan universiteiten, kan Stolker gedeeltelijk meegaan. “Maar we willen ook dat de kwaliteit van het onderwijs gegarandeerd blijft. Zo hebben alle universiteiten een tweede lezer voor scripties. Zo proberen we er écht voor te zorgen dat studenten recht hebben op een 6, 7 of 8. Ja, dat kan bureaucratisering in de hand werken. Maar wat wil je dan? Bovendien heeft zo’n tweede lezer nog een ander positief effect: de begeleiders kijken met elkaar mee, waardoor er meer samenwerking komt tussen docenten.”

De bewering dat universiteiten vaak topdown georganiseerd zijn, is volgens Stolker ook een gevolg van een toenemende mate van de verantwoordingscultuur die sowieso heel sterk is in Nederland. “De Colleges van Bestuur (CvB’s) worden soms gedwongen om topdown te besturen door de manier waarop we het in Nederland organiseren met veel regels. Je bent als CvB constant aan het monitoren, daar waar je eigenlijk zou willen besturen op basis van vertrouwen. Kijk maar eens hoeveel Kamervragen er worden gesteld over alles wat er misgaat op de universiteit.”

Loopbaan Eelco Runia

Eelco Runia (1955) studeerde geschiedenis en psychologie aan de Universiteit Leiden. Van 1999 tot 2003 had Runia een praktijk als coach/supervisor voor huisartsen en medisch specialisten. In deze periode schreef hij zijn eerste roman, Inkomend vuur. Na toekenning van een subsidie trad hij (in 2003) als research fellow in dienst van de afdeling Geschiedenis van de Rijksuniversiteit Groningen. In 2005 zette hij daar het Centre for Metahistory Groningen op, waarvan hij voorzitter werd. Hij werkte aan twee Amerikaanse universiteiten. Sinds zijn ontslag in 2018 is Runia zelfstandig schrijver en onderzoeker.

Lees ook: ‘

De promovendus die tegen het zere been van de hoogleraar schopt, vliegt eruit’

Twee onderzoeken schetsen een verontrustend beeld over de werksfeer op universiteiten. Vooral de verhouding tussen hoogleraar en promovendi schuurt.

Bron: Trouw.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.