Het mondkapje kan voorzien in de diepe menselijke behoefte om te moraliseren

De mens oordeelt graag over anderen, en tijdens deze crisis dient hij daarmee ook nog eens het algemeen belang. Met het mondkapje kan hij laten zien dat hij deugt.

Door Sander van Walsum, 22 mei 2020.

Het is een betekenisvol fragment van The Loudest Voice – de zevendelige biografische televisieserie over Roger Ailes, de man die Fox News groot heeft gemaakt: Ailes, vertolkt door Russell Crowe, leegt een boodschappentas op een tafel in de redactiezaal. De inhoud: speldjes met een afdruk van de Amerikaanse vlag. Hij geeft zijn redacteuren in overweging voortaan altijd zo’n speldje te dragen. Vrijwel niemand bij Fox News negeerde de wenk van de baas (die in 2016 overigens het veld moest ruimen nadat 23 vrouwelijke medewerkers hem van seksueel wangedrag hadden beticht).

Nog steeds is het Amerikaanse speldje in de revers van een Fox-anchorman het waarmerk van diens patriottische gezindheid. En naarmate deze getuigenis vaker wordt uitgedragen, doet zich ook het tegengestelde effect voor: wie géén speldje draagt, wekt twijfel aan zijn of haar gezindheid. Het speldje is de norm geworden. Wie zich aan die norm onttrekt, heeft iets uit te leggen.

De parallel met het mondkapje – geen partijsymbool, maar een preventiemiddel – dringt zich niet onmiddellijk op. Maar ook het mondkapje zou zich tot een statement kunnen ontwikkelen. De drager kan er zijn (oprechte of minder oprechte) zorg voor zichzelf en zijn omgeving mee tot uitdrukking brengen – nog los van de vraag of de effectiviteit van het mondkapje kan worden aangetoond. 

Naarmate meer mensen dit statement willen uitdragen, zal de sociale en morele druk op de achterblijvers groeien om hun voorbeeld te volgen. Eerst zal die druk nog de milde vorm van een aanbeveling aannemen: ach, baat het niet, dan schaadt het niet. En: wat let je om neus en mond te bedekken als passanten zich daar prettig bij voelen?

Maar degenen die zich nu nog zonder gezichtsbedekking in de openbaarheid begeven, zouden in de nabije toekomst weleens als ‘weigeraars’ kunnen worden aangemerkt. De bewijslast voor het nut van een mondkapje zal dan zijn omgekeerd: de dragers hoeven niet aannemelijk te maken dat zij het algemeen welzijn dienen, maar de weigeraars zullen zich moeten verweren tegen het verwijt dat zij anderen aan reële gevaren blootstellen.

Die dystopische toestand zou zomaar kunnen intreden, ook in Nederland. Volgens onderzoeksbureau I&O Research draagt momenteel slechts 4 procent van de Nederlanders een mondkapje. 14 procent – het electoraat van een middelgrote politieke partij – vindt echter dat het dragen van een mondkapje in de openbare ruimte zou moeten worden voorgeschreven. Als mondbedekking verplicht zou worden gesteld (per 1 juni gebeurt dat al in het openbaar vervoer), zou 58 procent van de Nederlanders zich daar zonder morren naar voegen.

Als het mondkapje in een deel van de openbare ruimte eenmaal is voorgeschreven, gaat massa een verbintenis aan met moralisme. Dat kan akelige gevolgen hebben, zoals al eerder tijdens de coronacrisis is gebleken. Wie herinnert zich nog de dynamiek van het derde weekend in maart, toen premier Rutte zijn ‘intelligente lockdown’ afkondigde? Op vrijdag legden horeca- en bioscoopbezoekers nog een tamelijk uitbundige onverzettelijkheid aan de dag, zoals ze dat ook na terreuraanslagen plachten te doen. Corona? Dat zullen we nog wel eens zien! Zaterdag maakten de eerste BN’ers gewetensvol hun bezwaren kenbaar tegen het feestgedruis. Per tweet namen ze mensen de maat ‘die hun verantwoordelijkheid niet nemen’.

Maatregelen waarmee de meeste Nederlanders een paar dagen eerder nog massaal hun instemming hadden betuigd – handen wassen, afstand houden, samenkomsten met meer dan dertig mensen tot nader order verbieden – werden ineens als ontoereikend ervaren. Niet alleen de horeca ging op slot, ook het onderwijs. Niet omdat deskundigen de scholen als besmettingshaarden hadden aangemerkt, maar omdat onderwijsgevenden, hun bonden en ouders van schoolgaande kinderen door angst bevangen waren geraakt. Als zo’n maatregel eenmaal is getroffen, kost het veel tijd en overredingskracht om hem weer ongedaan te maken.

Dat zal ook het geval zijn bij het mondkapjesgebod dat vanaf 1 juni in het openbaar vervoer van kracht is. Het is een bezweringsformule zonder wetenschappelijk fundament tegen lege treinen en bussen. Veel mensen die op het openbaar vervoer zijn aangewezen, zullen het offer van een lapje voor hun neus en mond graag brengen als zij daarmee hun bewegingsvrijheid vergroten. Het argument voor het mondkapje lijkt wel wat op dat waarmee in progressieve kringen de gezichtsbedekking van streng-islamitische vrouwen wordt verdedigd: dankzij dit accessoire komen zij tenminste nog buiten.

Het kan zijn dat de kledingvoorschriften in het openbaar vervoer bij een gebrekkige handhaving na verloop van tijd in onbruik raken. Of anders wel als Jan Terlouw gelijk krijgt met zijn verwachting dat er over enkele maanden een vaccin beschikbaar is. Maar omdat de wereld na corona evenmin vrij is van gevaren, zou dat mondkapje een blijvertje kunnen zijn. 

Als de overheid daar niet op toeziet, doen de dragers van het mondkapje dat zelf wel. Het mondkapje kan voorzien in de diepe menselijke behoefte om te moraliseren. Daarbij wordt ‘moralisme’ vaak verward met ‘moraliteit’. ‘Als het goed is’, schreef hoogleraar wijsbegeerte Gabriel van den Brink enkele jaren geleden in NRC Handelsblad, ‘hebben morele oordelen betrekking op een persoon die je zelf kent, waarbij je diens gedragingen serieus onderzoekt en je beseft dat er verschillende waarden in het geding kunnen zijn.’

Moralisme is een heel andere zaak, betoogde Van den Brink. ‘Daarbij veroordeel ik personen of groepen die ik slechts vagelijk ken, stel ik mijn eigen waarden voorop en gebruik ik anderen vooral om te bewijzen dat ik zelf een beter mens ben.’ 

Het mondkapje kan, net als het speldje met de Amerikaanse vlag, gaan dienen als waarmerk van deugdzaamheid. Juist vanwege zijn zichtbaarheid krijgt het al snel iets demonstratiefs. ‘Deugdpronken’, noemen de Vlamingen dat. Doorgaans gaat deugdzaamheid gepaard met discretie. Dat is, in de bijbelse betekenis van ‘goed doen’ zelfs de bedoeling: dat je er niet mee te koop loopt. Het mondkapje is onontkoombaar, en er kan een vermaning van uitgaan op de niet-dragers. Onbedoeld of juist heel erg bedoeld – zeker als de drager met de niet-bedekte zintuigen zijn misnoegen over de weigeraars tot uitdrukking brengt.

De mens oordeelt nu eenmaal graag. Het oordeel is een menselijk overlevingsmechanisme; het is de vingertop waarmee we het badwater voelen. We willen een oordeel over andere mensen vellen om te weten of van hen gevaar is te duchten, of we met ze kunnen samenwerken. Maar in de huidige samenleving heeft het oordeel zijn functionaliteit goeddeels verloren en voorziet het vooral in de behoefte om jezelf beter te voelen – beter dan de mens over wie je oordeelt. Of het nu gaat om dat rare hoedje van een anonieme passant, de seksuele voorkeur van Rob Jetten of de plotselinge glutenallergie van een vriendin: we hebben er een oordeel over. Vaak is dat oordeel negatief. Dat ligt al besloten in het Latijnse werkwoord iudicare: dat betekent zowel ‘oordelen’ als ‘vonnissen’. Dat doen we dan ook voortdurend. Vandaar dat Jezus zijn volgelingen maande om niet, of niet te snel of te gemakzuchtig, te oordelen.

Tijdens deze coronacrisis oordelen mensen nog gretiger over elkaar dan voorheen. Waar voordringen in de supermarkt vroeger vooral hinderlijk was en van slechte manieren getuigde, is het nu ook nog eens een vergrijp tegen de anderhalvemeternorm – en in potentie dus gevaarlijk voor anderen. Het negatieve oordeel over de supermarktbezoeker die ons voor de voeten loopt, krijgt nu een morele dimensie. Mensen die, anders dan wijzelf, lak hebben aan het welbevinden van passanten zijn slechte mensen.

Premier Rutte heeft de Nederlanders geregeld geprezen om de sociale discipline die ze tijdens de intelligente lockdown hebben betracht. Daarmee bedreef hij bekwaam crisismanagement, maar miskende hij ook dat sommige mensen aan de uitzonderingstoestand de legitimatie ontlenen om hoestende hooikoortspatiënten uit te schelden. Of dat mensen die zich beklagen over de drukte bij Ikea of Karwei, in het park of op het strand, in de regel zelf onderdeel zijn van zo’n aanstootgevend tafereel. Buiten de zorg en de andere sectoren waar corona het hoofd moest worden geboden, doen de gangbare heilwensen als ‘hou vol’, ‘zorg voor elkaar’ en ‘wees lief voor elkaar’ nogal potsierlijk aan. Net als het feit dat degenen die hebben volgehouden als ‘helden’ worden geëerd, bijna ongeacht de beroepsgroep waartoe zij behoren.

Als de rekening voor corona zal moeten worden betaald, zal blijken hoe solidair we – binnen Nederland en Europa – écht zijn met elkaar. Na corona zal blijken in hoeverre we echt begaan zijn met ons aller welbevinden in de openbare ruimte. De gretigheid waarmee wandelaars nu door passanten worden aangesproken op veronderstelde vergrijpen tegen de anderhalvemeternorm (‘Wilt u niet náást maar áchter elkaar lopen?!’) staat in schril contrast met de collectieve onwil van weleer om ‘sociale controle’ uit te oefenen. Want dat rook tenslotte wel heel erg naar de (ten onrechte verguisde) jaren vijftig, naar hopmannen van de padvinderij, benepenheid en burgers die elkaar aangeven. Van de afkeer van sociale controle getuigt alleen al het feit dat een telefonisch aangiftepunt voor verdacht gedrag of onwettige activiteiten tijdens een wandeling vaak ‘kliklijn’ wordt genoemd.

Vóór corona gold het aanspreken van medeburgers op wangedrag als een vorm van doodsverachting. We haalden het wel uit ons hoofd om ons bij samenscholende jongeren te beklagen over het lawaai dat ze maakten. Uit beduchtheid voor het ‘mes tussen je ribben’ dat in de praktijk maar heel zelden werd getrokken. We keken wel uit om telefonerende medepassagiers in de stiltecoupé het zwijgen op te leggen. De conducteur – gesteld dat die zich liet zien – zei er tenslotte ook niets van. We stapten mopperend over zwerfvuil heen, maar het kwam niet in ons op om het dan zelf maar op te ruimen. De publieke ruimte is verworden tot een domein waarvoor niemand zich verantwoordelijk voelt.

Nu Nederlanders worden geacht ‘samen’ het coronavirus te bestrijden, nemen ze elkaar onbeschroomd de maat. Al zullen mensen met een indrukwekkend postuur ook nu wel worden ontzien, want de angst voor een mes tussen de ribben is altijd nog groter dan de angst voor corona. En in elk oordeel over anderen ligt de bevestiging van de eigen voortreffelijkheid besloten: het voelt heerlijk en verplicht tot niets. Want de vraag of daarmee de verspreiding van het virus effectief wordt tegengegaan, is allang niet meer aan de orde.

Bron: de Volkskrant.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.