25/08/2020

Recensie Zomergasten | Ilja Pfeijffer

Door johnbeckers

Door Max Molovich, 23 augustus 2020.

RECENSIE – Het werd heel eventjes een klein beetje spannend, tegen het einde van de vijfde en laatste aflevering van Zomergasten 2020 met schrijver Ilja Leonard Pfeijffer. Presentatrice Janine Abbring wees hem op het seksisme van een aantal van zijn personages, waaronder het seksisme van de ik-figuur in het autobiografische Brieven Uit Genua. ‘Volgens mij’, zei Abbring, ‘zitten er in jouw boeken twee soorten vrouwen: vrouwen die je kan neuken en die je kan negeren, als ik dat zo mag zeggen.’ Dat mocht ze niet. Pfeijffer voelde zich zichtbaar aangevallen. Als zijn personages seksistisch zijn, is dat om het seksisme te thematiseren en te onderzoeken.

Hij had ons daarvoor net verteld hoe Dolly Parton in dit fragment ironie als stijlmiddel gebruikt om haar feministische boodschap uit te dragen. Terwijl sommige hedendaagse politici een soort omgekeerde ironie hanteren: ze doen een politiek incorrecte uitspraak (bijvoorbeeld: ‘vrouwen zijn veel gelukkiger achter het aanrecht’) en als iedereen daarover valt, dan beginnen ze te jammeren dat niemand nog ironie herkent. Maar ze zeiden wel degelijk wat ze bedoelden. Abbring vroeg of hij niet hetzelfde deed met zijn personages. Pfeijffer bleef ontkennen. ‘Je kan een onbewust seksistisch wereldbeeld hebben’, zei Abbring. ‘Als het onbewust is, ben ik mij er niet bewust van’, zei Pfeijffer. Maar het leek hem sterk, want hij had zich goed in de materie verdiept. Ik meende een weinig ironische woede in zijn blik te zien. De woede van iemand die zich verraden voelt. ‘Tijd om naar duivelsuitdrijving in Sicilië te gaan’, zei Abbring. De ogen van Pfeijffer bleven vuur spuwen. Het had me niks verbaasd als hij zou zijn opgestapt, maar na de duivelsuitdrijving zat hij nog steeds op zijn stoel en had hij zich herpakt. Of ik heb me de woede in zijn blik ingebeeld, dat kan ook. De blik was in ieder geval wezenlijk anders dan toen hij aan het begin van de uitzending tegen Janine Abbring zei dat om met haar te mogen praten oceanen over zou zwemmen en woestijnen kruipend zou doorkruisen.

Ik ken het werk van Ilja Leonard Pfeijffer niet goed genoeg om te kunnen oordelen of Janine Abbring een punt had of naar spijkers op laag water aan het zoeken was. Ik ben aan Grand Hotel Europa begonnen en hoewel de licht archaïsche, Thomas Mann-achtige stijl mij wel beviel, kwam ik toch niet verder dan bladzijde veertig. Waarom weet ik niet zo goed. Misschien heeft het ermee te maken dat de stijl en de setting van het boek voor mij te geconstrueerd voelen, waardoor ik toch niet zodanig werd meegesleept dat ik verder wilde lezen. ‘Het geheim van een goede roman is het creëren van een wereld waar je niet meer uit wil’, zei hij naar aanleiding van een fragment uit de film Valerian van Luc Besson. Daar ben ik het wel mee eens. Maar tegen het fragment uit Valerian and the city of a thousend planets, waarin een stel toeristen in de toekomst een bezoek brengen aan een stad in een andere dimensie, had ik ongeveer hetzelfde bezwaar als tegen Grand Hotel Europa. Pfeijffer was lyrisch over de film en de wereld die erin werd geschapen, maar afgaand op het fragment dat ik zag, kreeg ik het gevoel dat ik meestal heb bij de films van Luc Besson: te geconstrueerd, te afstandelijk en daardoor niet in staat mij mee te slepen laat staan te raken. Ongeveer ook het gevoel dat ik had toen ik een paar jaar geleden Cloud Atlas zag, de keuzefilm van Ilja Leonard Pfeijffer, gemaakt door Tom Tykwer, Lana Wachowski en Lily Wachowski, die toen nog Andy Wachowski heette op de aftiteling. Ziet er schitterend uit allemaal, maar er mist iets.

Het deed me ook afvragen in hoeverre Pfeijffer zijn imago construeert en cultiveert. Is Pfeijffer wel de authentieke schrijver-bohemien die hij denkt te zijn? Toen Dolly Parton in eerder genoemd fragment haar jurken en pruiken liet zien, moest ik onwillekeurig denken aan het lange haar van Pfeijffer. In combinatie met snor en sikje zou hij zonder al te veel aanpassingen de titelrol kunnen spelen in de film Michiel de Ruyter. Als ik de recensies goed heb onthouden, was daar weinig acteertalent voor nodig. Janine Abbring vroeg het zich ook af: in hoeverre is het imago van Ilja Leonard Pfeijffer als schrijver-bohemien (inclusief kapsel en standplaats Genua) marketingstrategie? Volgens Pfeijffer zelf was hij niet zo slim als Dolly Parton. Maar, hij gaf toe: omdat zijn lange haar zodanig met zijn schrijverschap verweven is, zou hij wel twee keer nadenken om het af te knippen. Maar hij is niet naar Genua gegaan omdat hij dacht: dat vinden de mensen interessant, dat kan ik gebruiken om mezelf te verkopen. Hij is er gebleven omdat Genua hem veel te brengen en te leren heeft. Italië is volgens Pfeijffer een voorloper op heel veel gebieden: Berlusconi was degene die het populisme heeft gemoderniseerd, immigratie is daar al veel langer een belangrijk thema dan hier en hetzelfde geldt voor massatoerisme. Zelfs met corona liepen ze voorop.

Over dat laatste gesproken: de coronadagboeken van Ilja Leonard Pfeijffer, zoals die vanaf begin maart in het NRC en De Standaard verschenen, heb ik, in tegenstelling tot Grand Hotel Europa, wel nauwkeurig gelezen. Nauwkeuriger dan goed voor me was eigenlijk. Vooral in die begindagen vond ik de situatie nogal uitzichtloos: het virus zat overal, het ene na het andere land ging in lockdown, ik vond het allemaal bijzonder claustrofobisch en had behoefte aan streepjes licht in donkere dagen. Maar in plaats daarvan keerde ik steeds terug naar de sterftecijfers van het RIVM en dreef ik elke avond af naar het NRC om mezelf nog dieper de put in te laten praten door Ilja Leonard Pfeijffer. Ik vreesde dat hij ons voorland beschreef en dat het slechts een kwestie van tijd was voordat ook wij in een soortgelijke uitzichtloze post-apocalyptische situatie zouden komen als Noord-Italië in het algemeen en Genua in het bijzonder. Nadat we een fragment hebben gezien uit de documentaire Molecole van Andrea Segre (die eigenlijk een film wilde maken over massatoerisme, maar toen sloeg de pandemie toe), vertelde Pfeijffer dat hij ooit in Genua was gaan wonen omdat hij verliefd was geworden op deze immer bruisende stad, maar dat de stad tijdens de lockdown doodziek was, waardoor hijzelf doodziek was.

Naast deprimerend vond hij het ook een ‘macaber voorrecht’ dit mee te mogen maken. ‘Meer dan ooit ben ik ervan doordrongen geraakt dat vrijheid geen vrijheid is, als dit doordrongen is van egoïsme. Vrijheid is alleen maar vrijheid als je eerst denkt aan de ander.’

Literaire vrijheid heeft Pfeijffer te danken aan Lucebert, volgens Pfeijffer ‘misschien wel grootste dichter die Nederland ooit heeft gekend, samen met Vondel’. De gedichten van Lucebert hadden Pfeijffer bevrijd van de dichter die hij dacht te moeten zijn. In het fragment vertelt Lucebert dat zijn gedichten uiteindelijk allemaal bekentenissen zijn. ‘Hoewel het bekentenissen zijn’, zei Pfeijffer daarover, ‘ben je bij Lucebert aan het verkeerde adres om antwoord te willen op de vraag waar zijn gedichten over gaan.’ Abbring herinnerde Pfeijffer er nog aan dat onlangs bekend is geworden dat Lucebert in zijn jeugd nazisympathieën had. Daarover heeft hij nooit gesproken. Abbring vroeg aan Pfeijffer of hij het werk van Lucebert daardoor anders is gaan lezen. Pfeijffer meende van niet. Hij vindt dat je vent en vorm uit elkaar moet houden. De persoon, zijn opvattingen en geschiedenis doet er uiteindelijk niet toe. Het gaat om het werk. Hoewel ik het daar in principe wel mee eens ben, denk ik ook: als iemand beweert dat zijn gedichten bekentenissen zijn, en hij blijkt er nazisympathieën op na te houden, dan ga ik diens gedichten toch anders lezen. Misschien worden ze er zelfs nóg interessanter door. Misschien ook niet. Of ze krijgen een wrange nasmaak.

In het fragment met Lucebert zat ook een interessante link naar het allereerste fragment van de avond, over Silvio Berlusconi: zoals zijn literaire held bekentenissen begraaft onder zijn poëzie, zo begraaft Berlusconi de waarheid onder zoveel alternatieve waarheden dat de waarheid irrelevant wordt. Het verschil is dat Lucebert met zijn poëtische rookgordijnen schoonheid en vrijheid voor de ander creëert, terwijl Silvio Berlusconi met zijn retorische rookgordijnen enkel Silvio Berlusconi dient.

Na Silvio Berlusconi zagen we een fragment uit Behind The Curve, een documentaire over zogenaamde flat earthers, mensen die denken dat de aarde plat is. Dankzij internet is het vandaag de dag steeds eenvoudiger om feit en fictie door elkaar te gooien. Doordat alle informatie verkrijgbaar is, ontstaat het misverstand dat je alles kan weten. Complotdenkers, zoals flat earthers, draaien alles om: elk argument dat hun ongelijk bewijst, zien zij als bewijs van hun gelijk. Doordat kennis is gedemocratiseerd kun je elk standpunt bevestigd zien. Daarbij valt er bijna geen grens te trekken tussen feit en fictie. Volgens Berlusconi doet de waarheid er niet toe (het gaat om overtuiging waarmee je het brengt), volgens de flat earthers doet de waarheid er wel degelijk toe en is het hun taak de rest van de wereld het licht te laten zien.

In het allerlaatste fragment van dit seizoen, een fragment uit Messiah, zien we een Jezusachtige figuur een soort Bergrede houden waarna hij bewijst de Messias te zijn door over het water te lopen. Vervolgens gaan er vele video’s hiervan de wereld over, debunken sceptici het gefilmde wonder en breken er rellen uit. ‘Dit is wat er gebeurt als de Messias vandaag zou terugkeren’, zei Pfeijffer, ‘dan ontstaat er gigantische chaos.’ De Messias zou vandaag de dag niet geloofd worden, meent hij, ook al laat hij zien over water te kunnen lopen. Met dank aan het internet, waar altijd weer iemand te vinden is die de waarheid onderuit weet te halen.

De grap, lijkt mij, is dat dit een kleine tweeduizend jaar geleden niet heel erg anders was. Zonder internet ging het allemaal wat minder snel, maar het resultaat was hetzelfde: een zelfverklaarde Messias kondigt de eindtijd aan en wandelt over het water, de elite weigert hierin mee te gaan, een steeds groter groeiende groep gelovigen doet dat wel, waarna de wereld in chaos vervalt om zich te herschikken. Maar het gaat om geloof. En daar was het Ilja Leonard Pfeijffer niet geheel toevallig ook om te doen met dit fragment. Niet zozeer het geloof in een god, maar het geloof in de mogelijkheid een goed mens te zijn en, ook al is het maar voor een kort moment of voor weinig medemensen, iets te betekenen.

Amen.

Bron: Sargasso.